Posts tonen met het label conservatie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label conservatie. Alle posts tonen

woensdag 15 december 2010

Nieuwe technologie om kikkers te redden

Voor het eerst kunnen we met succes amfibieën kweken uit bevoren zaadcellen, dankzij een verbeterde techniek om sperma te verzamelen en te cryopreserveren (het bewaren van levensvatbare lichaamscellen bij temperaturen onder min-200° celsius). Een nauwkeurig samengestelde cocktail van amfibiesperma kan zelfs na een lange periode in de diepvries nog voor gezonde nakomelingen zorgen. Dit alles dankzij een “vruchtbare” samenwerking tussen dr Robert Browne, wetenschapper van het Centre for Research and Conservation (CRC), de wetenschapscel van ZOO Antwerpen, en het Russische Institute of Cell Biophysics onder leiding van professor Edith Gakhova. Deze lente, tijdens de broedperiode van de bruine kikker (Rana temporario), werkte Robert Browne samen met zijn Russische collega’s om het nieuwe protocol voor cryopreservatie te ontwikkelen en te testen.
De onderzoekers werkten aan een eenvoudige methode om sperma te verzamelen door het injecteren van hormonen. Daarnaast ontwikkelden ze een nieuwe cocktail van sperma en chemische stoffen, de zogenaamde cryobeschermers, en verfijnden de techniek van invriezen en ontdooien van zaadcellen. Met een fantastisch resultaat: levend sperma met een hoog vruchtbaarheidsgehalte (zelfs na meerdere maanden bij min-200 graden) én succesvolle ontwikkeling van de dikkopjes. De weg is nu geëffend voor de oogst en cryopreservatie van spermacellen van verschillende bedreigde amfibieën, zowel in de natuur als in dierentuinen. De aanleg van een heuse spermabank voor amfibieën kan nu starten, en met dit protocol zijn we ervan verzekerd dat we het ingevroren vruchtbare materiaal kunnen ontdooien wanneer het nodig is.
Meer dan tweehonderd amfibiesoorten zijn er inmiddels al verdwenen van de aarde. Een amfibiespermabank voor kweekprogramma’s zou zeker verschillende soorten van de onderhang hebben kunnen redden. Kweekprogramma’s alleen zijn niet voldoende om de diertjes te redden, omdat we onmogelijk van alle soorten genoeg dieren veilig kunnen stellen in dierentuinen. Met deze nieuwe techniek kunnen we het aantal amfibieen dat we in dierentuinen zouden moeten kweken fel verminderen.
Russische onderzoekers hebben in 1996 de eerste kikkervisjes met diepgevroren sperma van gestorven amfibieën ontwikkeld. Maar tot nu toe bleef grootste probleem het afnemen van gezond sperma bij levende amfibieën zonder nadelige bijeffecten, en het invriezen en gebruik van sperma om nakomelingen te kweken. Nu, bijna 15 jaar later, is het dan eindelijk gelukt om een vruchtbare cocktail te ontwikkelen om uit het bevroren materiaal nieuw leven voort te brengen. Hoop voor alle bedreigde amfibieën.

Robert Browne, Zjef Pereboom - CRC/KMDA

vrijdag 19 november 2010

Internationale erkenning voor onderzoek in Kameroen

Het werk van het CRC in Kameroen heeft de afgelopen maanden internationale erkenning geboekt. Voor onze wetenschappelijke en conservatieactiviteiten in Kameroen ontvingen we enkele belangrijke beurzen.
Onze doctoraatstudent Charles-Albert Petre wist zich te verzekeren van een doctoraatsbeurs van de Federale Overheid (Federaal Wetenschapsbeleid - BELSPO) om zijn project in Kameroen aan zaadverspreiding door gorilla's voort te zetten. In dit project werkt het CRC samen met het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN) en de Universiteit voor Agronomie in Gembloux om te bepalen of gorilla's met zaden die zij verspreiden met hun mest een positieve bijdrage leveren aan de herbebossing van gekapte bossen in Kameroen.
In September, tijdens de lancering van de nieuwe conservatiecampagne van de Europese Dierentuinvereniging EAZA, werd Projet Grands Singes verkozen als een van de projecten die in het zonnetje gezet zullen worden. De meer dan 300 EAZA dierentuinen zullen in 2011 tijdens de EAZA APE-campagne een heel jaar aandacht vragen en geld inzamelen ten behoeve van de bescherming van chimpanzees, bonobo’s, gorilla’s orang-oetans, en gibbons. De campagne richt zich op de drie belangrijkste oorzaken die het voortbestaan van mensapen in de natuur bedreigen: het verlies van geschikte leefgebieden, de illegale jacht en handel in apen, en de steeds grotere rol die besmettelijke ziektes spelen in het voortbestaan van mensapen. De KMDA is de hoofdpartner van het Dja Biosphere Reserve Project, een samenwerkingsverband met de  London Zoo en Bristol Zoo dat tracht een bijdrage te leveren aan het duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen en de biodiversiteit in Kameroen. Om in hun inkomen te voorzien jaagt de lokale bevolking rond het natuurreservaat van de Dja jaagt op verschillende diersoorten waaronder westelijke laaglandgorilla's en chimpansees. In samenwerking met de lokale bevolking ontwikkelen we een plan voor duurzame jacht in het bos, en werken we samen aan kleinschalige economische activiteiten als alternatief voor de illegale stroperij. Met 35 dorpsgemeenschappen rond het Dja reservaat willen we niet-duurzame activiteiten in het bos, en met name de jacht op apen verminderen.
Voor een van de projecten in samenwerking met de Belgische organisatie Ape Assistance (Apas), ontvingen we van de Arcus Foundation een geldbedrag van US$ 50.000 om kleinschalige cacaoteelt op te zetten in de dorpen. Deze organisatie ondersteunt vooral programma’s die duurzame ontwikkeling en wetenschappelijk onderzoek gebruiken voor de bescherming van mensapen in de natuur. Daarnaast ontvingen we in september nog een prijs ter waarde van €40.000 van de US Fish and Wildlife Service om te voorzien in alternatieven voor de ilegale stroperij.
Nikki Tagg, Zjef Pereboom / PGS-CRC
Foto: Anne de Graaf / EFICO Foundation

donderdag 11 november 2010

Voortbestaan bromelias hangt af van goudkopleeuwaapen

Goudkopleeuwapen en bromelias hebben een unieke relatie. Epifytische bromelia's groeien op de stammen van grotere bomen, en zijn een typisch kenmerk van het Atlantische regenwoud, en een geliefde plaats waar deze kleine apen foerageren en dierlijke prooien vinden. In januari vertelden we hier al over een studie door onderzoekers van Project BioBrasil (Catenacci et al. 2009) die aantoonde dat goudkopleeuwapen een belangrijke rol vervullen als zaadverspreiders voor bromelia's. Het merendeel van de zaden gevonden in de uitwerpselen van goudkopleeuwapen zijn van bromeliazaden die behoren tot het geslacht Aechmea. Bromeliazaden kiemen ook beter na hun doorgang door het spijsverteringsstelsel van de goudkopleeuwapen.

Uit nieuwe gegevens blijkt nu dat de relatie tussen beide soorten nog intiemer is. Een recent artikel, dat in December 2010 verschijnt in het tijdschrift Biota Neotropica, beschrijft de resultaten van een studie gecoördineerd door Talita Fontoura van de Universiteit van Santa Cruz in Ilheus. Gedurende 67 uur van waarnemingen op drie clusters van bromelia's van de soort Aechmea depressa, was het goudkopleeuwaapje de enige soort die de vruchten van Aechmea tijdens de dag bezocht en de zaden verspreidde. Dit feit is eens te meer verbazingwekkend, omdat er in de regio 32 soorten fruitetende vogels zijn, naast verschillende andere fruitetende apen (kapucijnaapjes, Wied's zijdeaapjes, Titi apen). Deze exclusiviteit kan te wijten zijn aan het feit dat vruchten van Aechmea depressa omringd zijn door stijve bladeren die het moeilijk maken om de zaden te verwijderen. Goudkopleeuwaapjes slagen daar toch in vanwege hun kleine omvang en flexibele lichaam, en hun behendigheid om de bladeren te verwijderen. Goudkopleeuwapen hebben lange slanke vingers die aangepast zijn aan het manipulatieve zoeken van verborgen dierlijke prooien. Deze eigenschap blijkt nu ook nuttig voor het verwijderen van A. depressa zaden.
Daarnaast was het bezoekpercentage aan de clusters bromelia´s ook zeer laag: de goudkopleeuwapen verbleven in totaal 74 minuten in de clusters, minder dan 2% van de totale waarnemingstijd. Dit, in combinatie met het feit dat waarschijnlijk heel weinig vruchteneters in staat zijn om succesvol de vruchten van A. depressa te manipuleren suggereert dat goudkopleeuwapen uiterst belangrijk zijn voor het behoud van de Aechmea populaties. Gezien het aantal goudkopleeuwapen in het hele verspreidingsgebied in dalende lijn gaat, betekent dit dat ook de bromeliapopulaties op lange termijn hiervan negatieve gevolgen zullen lijden.

Meer details vindt u in de publicatie: Fontoura, T. ; Cazetta, E., Nascimento, W. ; Catenacci, L. ; De Vleeschouwer, K. and Raboy, B. E. Diurnal frugivores on the Bromeliaceae Aechmea depressa L.B. Sm. from northeastern Brazil: the prominent role taken by a small forest primate. Biota Neotrop. Oct/Dec 2010 vol.10, no. 4. ISSN 1676-0603.

Kristel De Vleeschouwer - CRC/BioBrasil

vrijdag 13 augustus 2010

Salamanders in het vriesvak
















Het CRC werkt met Amerikaanse onderzoekers van Nashville Zoo en Michigan State University aan de ontwikkeling van nieuwe technieken om zaadcellen van amfibieen in te vriezen en voor lange tijd te bewaren. Het internationale onderzoeksteam onder leiding van Robert Browne, een van onze CRC-wetenschappers, werkt met de grootste salamandersoort in de Verenigde Staten, de Hellbender, ook wel modderduivel genoemd.

De Noord-Amerikaanse Hellbender is een van de drie bekende reuzensalamandersoorten behorende tot het geslacht Cryptobranchus dat naast de hellbender ook de Chinese en de Japanse reuzensalamander omvat. Deze salamander die tot 40 centimeter lang kan worden, en voorkomt langs bergstromen in het zuidoosten van de VS, wordt in zijn natuurlijke habitat bedreigd met uitsterven door milieuvervuiling, het verlies van geschikte beken, en een zeer laag voortplantingssucces. De uiteindelijke doelstelling van het consortium is om door middel van cryopreservatie - het bewaren van levensvatbare lichaamscellen bij temperaturen tot min 200 graden Celsius -  zaadcellen van wilde mannelijke dieren te verzamelen en daarmee zo veel mogelijk genetische variatie van de wilde populatie te bewaren. In de toekomst zou deze zaadbank gebruikt moeten worden om de natuurlijke populaties Hellbenders met genetisch waardevolle bloedlijnen aan te vullen om zo het voortbestaan van de soort te waarborgen.

Tot nu toe heeft het team veelbelovende resultaten geboekt. Browne ontwikkelde de cryopreservatie methodes met de salamanders van Nashville Zoo, en de dierenartsen van Michigan State University testten de methodes en onderzoeken de levensvatbaarheid van ingevroren salamandersperma. De eerste succesvolle experimenten laten zien dat de onderzoekers erin slagen ingevroren sperma langer dan zes maanden te laten overleven. Dit wijst er op dat het ingevroren sperma zelfs na tientallen jaren nog levensvatbaar is, en dat we in principe met het bewaren van de genetische variatie op deze wijze over tien, twintig of dertig jaar de soort altijd nog kunnen herintroduceren.

Zjef Pereboom - CRC

zondag 6 juni 2010

Ruik ik nie lekker, ofwa?

Monniksgieren-ouders die elkaar leuk vinden zijn betere ouders dan monniksgieren uit een gedwongen huwelijk. Dat zijn de eerste voorlopige conclusies van gedragsonderzoek in Planckendael en enkele ander dierentuinen naar partnerkeuze en paarbinding bij deze vogelsoort.

Het CRC doet al enkele jaren wetenschappelijk onderzoek om uit te vogelen waarom sommige gierenparen wel en andere weer geen jonge monniksgiertjes maken. In 2005 en 2006 hebben we samen met Marleen Huyghe, de coördinator van het kweekprogramma, een enquête opgezet onder de Europese dierentuinen of te bekijken of de manier waarop monniksgieren gehouden worden een positief of negatief effect heeft op hun broedsucces. Dat bleek geen grote invloed te hebben, maar op grond van de resultaten werd toen verondersteld dat een goede paarbinding (dus of het “klikt” tussen twee dieren) waarschijnlijk heel belangrijk is voor broedsucces.
Drie studenten gingen daarom in 2007 en 2008 op pad om in Planckendael en Nederlandse en Duitse dierentuinen onderzoek te doen naar gedragingen die kunnen wijzen op een goede verstandhouding. De resultaten tot zover laten zien dat gierenpaartjes die succesvol jongen grootbrengen gedragingen vertonen die er inderdaad op wijzen dat de dieren die elkaar leuk vinden ook succesvollere ouders zijn;  ze groeten elkaar meer, ze vertonen minder agressie, ze hebben meer paringen en paren vroeger in het broedseizoen, en beide hebben een gelijke broedactiviteit in het nest als er een ei is. We willen deze gedragingen nu gebruiken als indicator voor een goede paarbinding, en kunnen misschien hiermee mogelijk voorspellen of nieuw gevormde paartjes succesvolle broedparen kunnen worden.
We maken in Planckendael al gebruik hiervan door voor jonge monniksgieren uit Europese dierentuinen als "huwelijksbureau" op te treden en zo gedwongen huwelijken te voorkomen.  In de grote volière zetten we meerdere jonge vogels bijeen en hopen dat er zich op die manier spontane koppels zullen vormen, en zo de kans op voortplanting te vergroten.

Maar we gaan nóg verder. In 2009 begon de Duitse doctoraatstudente Katja Wolfram bij het CRC aan een studie om te kijken op grond waarvan gieren hun partner dan kiezen. We gaan in deze studie uit van een gangbare theorie in de biologie dat dieren een partner kiezen op grond van verschillen in hun DNA. We weten bijvoorbeeld dat mensen (en nog een aantal andere diersoorten) een voorkeur hebben voor een partner met een immuunsysteem dat anders is dan hun eigen immuunsysteem. Op die manier krijgen hun kinderen een immuniteit tegen ziektes die zo groot mogelijk is (een combinatie van die van beide ouders dus). Die kleine verschillen tussen dieren zijn af te lezen in een stukje van hun DNA dat we het “Major Histocompatibility Complex” of MHC noemen, en dit soort onderzoek kunnen wij zelf in ons labo in de Zoo  doen. Monniksgieren kunnen dat natuurlijk niet, maar wetenschappers vermoeden dat zij kunnen ruiken of hun potentiële partner een genetisch goede of minder goede keuze is; bij mensen en muizen is dat bijvoorbeeld al vastgesteld.

Kortom, bij de monniksgieren in het Europese kweekprogramma én bij dieren uit de natuur willen we dus onderzoeken of de partners van succesvolle paartjes inderdaad meer verschillend DNA hebben, en of paartjes die elkaar “niet zo leuk vinden” juist meer vergelijkbaar DNA hebben. Op die manier zouden we in de toekomst op grond van DNA onderzoek kunnen voorspellen welke dieren een grotere kans hebben om succesvol te broeden en welke niet.
Zjef Pereboom - CRC

maandag 17 mei 2010

Europese samenwerking DNA onderzoekers

In het kader van het 7e Framework Programma van de Europese Unie werkt het CRC mee aan de oprichting van een initiatief om onze eigen Europese biodiversiteit te beschermen. Het internationale consortium van Europese DNA-wetenschappers met het acroniem CONGRESS (Conservation Genetic Resources for Effective Species Survival) heeft daartoe een beurs ontvangen van de Europese Unie ter waarde van maar liefts één miljoen euro.
Met dit geld zal het consortium een webportaal te maken waar de resultaten van genetisch onderzoek aan Europese dieren- en plantensoorten beschikbaar gesteld worden voor de beleidsmakers die beslissingen nemen over de bescherming van natuur in de Europa. Daarnaast zullen we samen met die beleidsmakers workshops en congressen organiseren om die informatie uit te wisselen. Vanuit België zal naast de KMDA ook het agentschap voor Natuur en Bos betrokken worden in het consortium.
In de laatste week van mei organiseerde het CRC het openingscongres van het project in de Zoo van Antwerpen. In 2011 zullen de CRCers voor het Nederlands taalgebeid een workshop organiseren waarbij we zoveel mogelijk wetenschappers en beleidsmakers uit Nederland en België bijeen gaan brengen. Dit alles past mooi in onze doelstellingen rond het jaar van de biodiversiteit. Behoud van biodiversiteit is immers één van de kerntaken van de KMDA. Biodiversiteit omvat niet enkel de verscheidenheid van ecosystemen en soorten maar ook van het DNA binnen elke soort, de genetische diversiteit. Net zoals bij mensen, bestaan er immers genetische verschillen tussen individuen. Deze verscheidenheid is cruciaal voor het voortbestaan van dieren- en plantensoorten, omdat dit mogelijkheden biedt om zich aan te passen aan veranderende omstandigheden in het milieu.

Peter Galbusera, Zjef Pereboom



vrijdag 29 januari 2010

Samen bouwen aan het woud

Goudkopleeuwapen dragen zelf bij aan het herstel van het woud waarvan hun voortbestaan afhankelijk is. Dat is de voornaamste conclusie uit recente wetenschappelijke publicaties van Lilian Catenacci en Kristel De Vleeschouwer, beiden medewerkers van het KMDA conservatieproject BioBrasil in Brazilië. Jarenlang bestudeerde het onderzoeksteam de uitwerpselen van goudkopleeuwapen in het Una reservaat in de Atlantische kustwouden van Bahia, Brazilië. Uit het onderzoek bleek dat de kleine aapjes zaden verspreiden van maar liefts 23 boomsoorten, en dat ze de belangrijkste verspreiders zijn van zaden van bromelia’s. Doordat ze verschillende woudtypes bezoeken en daar hun waardevolle vrachtje achterlaten, dragen de leeuwaapjes bij tot de overleving en verspreiding van verschillende boomsoorten en epifyten, en zorgen ze zelf voor de regeneratie van verstoorde woudfragmenten.
Een tweede publicatie beschrijft de eigenschappen en voedingswaarde van de vruchten die door goudkopleeuwapen gegeten worden. Het blijken vooral kleine, zachte en sappige vruchten met veel suikers en vetten te zijn die hun voorkeur hebben. Maar de diertjes zijn zeer gemakkelijk in die keuze, want hun dieet wordt vooral bepaald door wat er op dat moment voorhanden is in hun leefgebied eerder dan de voorkeur voor specifieke vruchten.
Dit is zeer relevante kennis, omdat we zo een duidelijk beeld krijgen van de levenswijze en noden van goudkopleeuwapen in deze gedegradeerde gebieden. De overleving van de diertjes wordt namelijk bedreigd door de sterke achteruitgang en versnippering van hun leefgebied. De onderzoekers van BioBrasil bestuderen al sinds 2002 de ecologie, het gedrag en de populatiedynamiek van goudkopleeuwapen in het Atlantische kustwoud van Zuid-Bahia. De jarenlang vergaarde kennis zal de basis vormen voor een conservatie-actieplan voor de soort. Daarbij worden concrete acties ontwikkeld om de overleving van de dieren en hun habitat op lange termijn veilig te stellen, door bijvoorbeeld het oppervlakte beschermd woud te vergroten, woudfragmenten onderling te verbinden, en verdere versnippering van het woud tegen te gaan. Zo bouwen we samen met de leeuwaapjes aan een nieuwe toekomst voor de Atlantische kustwouden van Brazilië.

Kristel De Vleeschouwer

vrijdag 18 december 2009

Biodiversiteit: ook ONS leven


De Verenigde Naties hebben 2010 uitgeroepen tot het internationale jaar van de biodiversiteit, met het motto “Biodiversiteit is Leven, Biodiversiteit is ONS leven”. Wereldwijd zullen burgers, overheden, bedrijven en allerhande instituten en natuurbeschermingorganisaties, actie ondernemen om het belang van biodiversiteit op onze planeet onder de aandacht brengen, en het verlies ervan terug te dringen.
De KMDA grijpt deze unieke kans aan om in 2010 het brede publiek te sensibiliseren voor de waarde van biodiversiteit, en om onze eigen activiteiten in dit kader te presenteren. Van onze eigen natuurreservaat de Zegge, onze conservatieprojecten in de Atlantische kustwouden van Brazilië en in de niet-beschermde wouden van Kameroen, tot de conservatieprojecten van derden die we financieel of wetenschappelijk ondersteunen. Het jaar van de biodiversiteit moet voor alles een viering worden van al het leven op aarde, en de betekenis die biodiversiteit heeft voor ons dagelijkse leven. De meeste mensen waarderen zonder meer de pracht van de natuur, maar slechts weinigen zijn zich echt bewust van hoe ernstig bedreigd, en hoe belangrijk biodiversiteit is voor ons dagelijks leven en welzijn.
Biologische diversiteit of verscheidenheid - kortweg biodiversiteit - wordt omschreven als de gevarieerdheid van al het leven op Aarde. Daartoe horen niet alleen alle dieren, planten, schimmels, bacteriën en andere micro-organismen, maar ook landschappen en leefgebieden. Ook wij zelf maken deel uit van biodiversiteit, maar we zijn meteen ook de belangrijkste veroorzaker van de sterke achteruitgang ervan. Door het kappen van bos, de handel in bedreigde diersoorten, intensieve landbouw, overbevissing, overmatig energiegebruik etc. tast de mens niet enkel de natuur aan, maar bedreigt hiermee ook zijn eigen toekomst. Biodiversiteit staat immers aan de basis van ons hele leven. Biodiversiteit verschaft ons voedsel en water, het levert de grondstoffen voor economische activiteiten en bestanddelen voor geneesmiddelen, zorgt voor een gezonde lucht, kan mee helpen klimaatsverandering te stabiliseren door koolstofgas vast te houden, enzovoort. Behoud van biodiversiteit is dus van essentieel belang voor het behoud van het leven op aarde, ook voor ons eigen leven.
Natuurbehoud is het kernpunt van de doelstellingen van de KMDA. Dat willen we bereiken we door een combinatie van wetenschappelijk onderzoek, educatie, natuurbescherming en de stimulering van duurzame ontwikkeling. Zonder de steun van onze leden en bezoekers zou dit uiteraard nooit mogelijk zijn. Volgend  jaar zullen we u op allerlei manieren op de hoogte stellen van onze inspanningen en die van anderen.
Zjef Pereboom – CRC

woensdag 9 december 2009

Eten wat het bos schaft


Maandag duiker-dag, woensdag colobus-dag, en op zondag een steak van bosolifant of een terrine van laaglandgorilla op het menu!? Voor u misschien een ongewoon en gruwelijk idee, maar voor een groot deel van de armere bevolking in Afrika en Azië dagelijkse praktijk. Het verdwijnen van wilde dieren door niet-duurzame jachtpraktijken is niet alleen een bedreiging voor de biodiversiteit, maar op de lange duur ook voor de lokale bevolking zelf die afhankelijk is van woudvlees (bushmeat) voor hun voorziening in dierlijke eiwitten en inkomsten.
Projet Grands Singes (PGS), een van de conservatieprojecten van de KMDA, combineert wetenschappelijk onderzoek naar chimpansees, gorilla’s en hun leefomgeving met natuurbescherming en rurale ontwikkeling. Om de zogenaamde ‘bushmeat crisis’ het hoofd te bieden nemen we alle ecologische, sociologische en economische factoren die een rol spelen bij de jacht op woudvlees in beschouwing, en werken intensief samen met alle betrokken partijen, van de lokale bevolking tot de Kameroenese overheid. In nauw overleg met een Community Wildlife Management Committee, een vertegenwoordiging van al deze partijen, heeft PGS een jachtbeheersplan opgesteld met als doel de duurzame jacht te bevorderen. In principe geeft dit plan aan waar, wanneer en hoeveel elk van de dorpelingen mag jagen. Om alternatieve inkomstenbronnen te creëren en zo de commerciële jacht terug te dringen werden kleinschalige economische projecten opgestart, zoals georganiseerde teelt van cacao. PGS realiseerde ook een dorpswinkel waar producten zoals rijst en zeep kunnen worden gekocht met de opbrengst van deze nieuwe economische activiteiten in de dorpen.
Om de effectiviteit van de aanwezigheid en strategie van PGS te kunnen onderzoeken werkten we in 2009 aan een socio-economische studie in het gebied. Een team van PGS onderzoekers verzamelde gedetailleerde informatie over de jachtdruk, de jachtinspanningen, de economie van de huishoudens en het lokale dieet in de dorpen Malen V, Doumo-Pierre en Mimpala, en de aanwezigheid van wilde dieren het omliggende regenwoud. De gegevens werden vervolgens vergeleken met vergelijkbare gegevens die tussen 2002 en 2006 in dezelfde dorpen waren verzameld. 
De resultaten lieten zien dat de dorpelingen het meeste geld verdienen door teelt en de verkoop van cacao, het werk dat zij verrichten voor PGS in het woud, en….de verkoop van woudvlees. Ondanks het feit dat PGS werkzame alternatieven voor stroperij heeft gecreëerd, de dorpswinkel intensief bleek te worden gebruikt, het totaal aantal gedode dieren per jager is afgenomen, en er veel minder voor eigen gebruik werd gejaagd, wijzen de resultaten erop dat de intensiteit van het jagen toch sterk is toegenomen. Desondanks lijkt deze toename geen direkt negatief effect te hebben op de aanwezigheid van wilde dieren in het woud.  
De toename van de jachtactiviteiten wordt mogelijk veroorzaakt doordat het aantal jagers is gestegen, dat de jacht steeds vaker gebeurt met illegale geweren en dat er  vooral voor commerciële doeleinden wordt gejaagd. Het meeste bushmeat bleek inderdaad aan handelaren van buiten het dorp te worden verkocht voor de markten in de stedelijke gebieden. De toename van de jacht kan verder deels verklaard worden doordat PGS in de periode 2005-2006 minder actief is geweest.
Kortom, voor de lokale economie en het levenskwaliteit van de participerende dorpen lijkt de gevoerde strategie tot op zekere hoogte effectief te zijn. Verder onderzoek moet de details nog uitklaren. Om daadwerkelijk op de lange termijn de niet-duurzame jacht op woudvlees te ontmoedigen is een hechte samenwerking met andere belanghebbende organisaties en strengere strafmaatregels voor illegale jagers essentieel, net zoals de continuïteit van inkomsten genererende microprojecten en intensieve bewustwordingscampagnes.
Inge Luyten & Nikki Tagg

maandag 9 november 2009

Van wolfspinnen en wrattenzwijnen


Wat hebben mieren, pekelkreeftjes, wolfspinnen, wrattenzwijnen, mosselen en de plant Hugonia serrata allemaal gemeen?... Ze zijn de onderzoeksobjecten van de zes laureaten voor de jaarlijkse Ketsprijs, die afgelopen zaterdag 7 november in de ZOO van Antwerpen werd uitgereikt. De Jacques Kets prijs voor de biologie biedt Vlaamse en Waalse masterstudenten sinds 2007 de mogelijkheid om met hun masterthesis mee te dingen naar de twee conservatie stimuleringsprijzen twv 1200 Euro, die door de KMDA, Parc Paradisio en de Koninklijke Belgische Vereniging voor Dierkunde (KBVD) beschikbaar worden gesteld. Uit 24 kandidaten selecteerde een professionele jury de 6 meest-belovende studenten op grond van een samenvatting van hun masterthesis en de antwoorden op enkele vragen. De zes genomineerde kandidaten stelden zaterdag hun thesis voor tijdens een symposium voor een jury van Vlaamse en Waalse professoren.

De zes geselecteerde kandidaten waren:
Aurora Geerts van de KULeuven, die een voordracht gaf over een evolutionaire verklaring voor het fenomeen van ‘Bet-hedging’; een voortplantingsstrategie die veel dieren en planten gebruiken in extreme omgevingen. Bij bet-hedging stellen dieren hun voortplanting uit tot momenten die betere omstandigheden bieden. Kreeftachtigen die in rotspoelen leven bijvoorbeeld, leggen eitjes die verschillende en soms langdurige periodes van droogte kunnen weerstaan en zo met hun onvoorspelbare omgeving kunnen omgaan, en zich pas ontwikkelen en zichzelf weer voortplanten tijdens gunstige omstandigheden, bijvoorbeeld na een regenbui.
Steven Van Bellgehem van de UGent sprak over de karakterisering van verschillende soorten wolfspinnen en het ontstaan van nieuwe soorten op de Galapagos eilanden als gevolg van reproductieve isolatie en verschillende omgevingsfactoren.
Dagmar Obbels van de KULeuven, stelde haar thesis voor over de populatiegenetica van wrattenzwijnen op het Indonesische eiland Sulawesi. Haar project was onderdeel van het Hoefdierenproject op het Indonesische eiland Sulawesi dat het KMDA onderzoeksdepartement CRC samen met de universiteiten van Edinburgh, Durham en Bogor opgezet heeft. Dagmar heeft voor haar thesis een vergelijking gemaakt van de historische populatie zwijnen op Sulawesi op grond van DNA van museumstalen, en DNA stalen van de huidige populatie wrattenzwijnen.
Delphine Coates van UGent beschreef een onderzoek waarbij ze een evaluatie maakte van verschillende methodieken om mosselen (Jawel, de gewone eetbare variant…) te gebruiken als bio-indicatoren voor watervervuiling in de Belgische zeehavens.
Nina Wauters van de ULBruxelles deed een studie in de Andes naar de diversiteit van mieren in relatie tot hoogte- en klimaatsverschillen. Dit was de eerste studie waarbij een volledige analyse gedaan werd van mierengemeenschappen langsheen een hoogtegradiënt. Dit soort studies kan belangrijke informatie genereren over de effecten van klimaatsveranderingen op biodiversiteit.
Sofie Meeus van de KULeuven, tenslotte, - de enige botanist in dit gezelschap - bestudeerde de evolutie van voortplantingsstrategieën bij planten op eilanden. Meer in het bijzonder bekeek zij of zelfbestuiving in de plant Hugonia serrata veroorzaakt werd doordat hun gespecialiseerde bestuivers sterk in aantal zijn afgenomen, of dat het hier een heel oude eigenschap is die bij veel eilandsoorten voorkomt. Immers, zelfbevruchting biedt planten veel voordelen voor het kunnen koloniseren van eilanden.

De jury, bestaande uit Hans Van Dijck (UCLouvain), Serge Aron (ULBruxelles), Dominique Adriaens (UGent), Kurt Jordaens (UA & Museum voor Midden Afrika), Pierre Devos (Koninklijke Belgische Vereniging voor Dierkunde, onze nieuwe Kets-partner sinds dit jaar) en Zjef Pereboom (KMDA), sprak zich na deliberatie unaniem uit voor Aurora Geerts uit Leuven als eerste Ketsprijswinnaar. Nina Wauters uit Brussel werd als op een na beste kandidate uitverkozen. Beide kandidaten hadden een zeer goede en duidelijk opgebouwde  presentatie, en gaven er tijdens de vragenronde blijk van hun onderwerp volledig te beheersen. Zij bleken zeer mature wetenschappers te zijn die hun eigen onderzoek in een groter evolutionair kader konden plaatsen. De overige kandidaten waren uiteraard niet slecht, ze waren immers al door de eerste selectieronde gekomen, maar over het geheel gezien scoorden zij op de gebruikte criteria minder goed dan de twee winnaars.

De prijs bestaat in haar huidige vorm pas drie jaar, en begint binnen de Belgische academische wereld steeds meer belangstelling te krijgen. Om het voortbestaan van de prijs te garanderen en de communicatie over het bestaan van de prijs en de doelstellingen ervan te verbeteren, werken we vanaf dit jaar samen met de KBVD die vanaf volgend jaar zal nog een extra beloning uitreiken. De winnaar ontvangt dan naast de reisbeurs van 1.200 Euro ook een vergoeding voor de reis- en registratiekosten voor deelname aan het jaarlijkse Benelux Congress of Zoology, inclusief de mogelijkheid een heuse wetenschappelijke presentatie over de thesis te verzorgen op dit congres.


Zjef Pereboom

vrijdag 23 oktober 2009

Niet goed in je vel?

Een dodelijke schimmel die bij amfibieën de huidziekte chytridiomycosis veroorzaakt, is de voornaamste oorzaak van het massale uitsterven van kikkers wereldwijd. Een publicatie van vandaag - in het tijdschrift Science - geeft een eerste inzicht in het mechanisme waarmee de schimmel, Batrachochytrium dendrobatidis, mogelijk zijn gastheren doodt. Dat opent ook mogelijkheden voor de ontwikkeling van nieuwe behandelingsmethoden waaraan we in de KMDA zullen gaan werken.

Een Australisch onderzoeksteam bestudeerde besmette groene boomkikkers (Litorea) en vond dat de dieren problemen hadden met het transport van elektrolyten door hun huid. Elektrolyten zijn chemische stoffen die in water  uiteenvallen in kleinere geladen deeltjes (ionen) zoals bv. natrium, chloride, kalium en calcium, die noodzakelijk zijn voor een goede werking van het lichaam. Als de balans tussen deze stoffen binnen en buiten het lichaam wordt verstoord, kunnen de organen niet normaal functioneren.
In geïnfecteerde kikkers bleek het evenwicht ernstig verstoord te worden door de verminderde functionaliteit van de huid. De concentratie natrium in het bloedplasma van de kikkers daalde met ongeveer 20%, en het kaliumgehalte met ongeveer de helft. De kikkers bleken te overlijden aan een hartstilstand, waarschijnlijk veroorzaakt door het verstoorde evenwicht in elektrolyten. Wanneer de besmette kikkers een elektrolytenaanvulling ontvingen, bleken ze tijdelijk te herstellen. Deze behandeling kan de kikkers waarschijnlijk niet redden, omdat eigenlijk de huid van de dieren hersteld zou moeten worden.
Ondanks dat de huidziekte op wereldschaal een enorme sterfte tot gevolg heeft, zijn niet alle soorten even gevoelig voor de ziekte. Dat gegeven willen we nu gebruiken voor een nieuw project binnen het CRC. Begin 2010 start de KMDA in samenwerking met de Universiteit Gent een doctoraatsproject van 4 jaar om te achterhalen welke mechanismen de gevoeligheid voor Batrachochytrium dendrobatidis bepalen. Maar nog belangrijker, we willen die kennis gebruiken voor de ontwikkeling van veilige en effectieve behandelingsprotocollen voor chytridiomycose-infecties bij amfibieën. Een absolute noodzaak om in dierentuinen en privé-collecties amfibieën een veilig heenkomen te bieden.


Zjef Pereboom

Bron: Voyles, J., Young, S., Berger, L., Campbell, C., Voyles, W., Dinudom, A., Cook, D., Webb, R., Alford, R., Skerratt, L., & Speare, R. (2009). Pathogenesis of Chytridiomycosis, a Cause of Catastrophic Amphibian Declines. Science DOI: 10.1126/science.1176765

zaterdag 19 september 2009

Kus de kikker


Kijk eens naar je handen, misschien is het je al opgevallen? Bij mensen hebben mannen een ringvinger die wat langer is dan hun wijsvinger terwijl bij vrouwen net het omgekeerde waar is: de wijsvinger is meestal net iets langer dan de ringvinger. Wanneer je nu de lengte van je wijsvinger deelt door die van de ringvinger zal de bekomen ratio bij mannen lager zijn dan bij vrouwen. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat mannen tijdens hun ontwikkeling in de baarmoeder worden blootgesteld aan hogere concentraties van het mannelijk geslachtshormoon testosteron. De afgelopen jaren zijn er al verschillende studies uitgevoerd bij zoogdieren, reptielen en vogels maar men weet bijna niets over dit fenomeen bij amfibieën en met deze studie zal daar verandering in komen.
De verhouding van de tweede tot de vierde vinger of teen wordt aangeduid als de digit ratio of 2D:4D. Bij veel diersoorten verschilt 2D:4D tussen de twee geslachten en in dat geval spreken we van een seksueel dimorf kenmerk. Een verschil in de blootstelling aan geslachtshormonen tijdens de ontwikkeling ligt mogelijk aan de basis van dit seksueel dimorfisme in 2D:4D. Het probleem is echter dat bepaalde stoffen uit de omgeving de werking van geslachtshormonen nabootsen en zo kunnen leiden tot afwijkingen in de ledematen en geslachtsorganen van amfibieën.


Recent zijn we in de Zoo van Antwerpen een studie gestart om na te gaan in hoeverre zulke seksuele dimorfismen in 2D:4D voorkomen bij een variatie aan amfibieën. Vertegenwoordigers van de Anura (kikkers en padden) en Caudata (salamanders) worden onderzocht met behulp van een diervriendelijke methode: een combinatie van digitale foto’s en computer software laat toe om de lengtes van de tweede en vierde teen op te meten en de ratio te bepalen. De methode maakt een internationale samenwerking mogelijk waarbij bijdragen worden geleverd door verschillende instituten: Nordens Ark, Zweden, Perth Zoo, Australië, Diergaarde Blijdorp, Nederland, het Natuurhistorisch Museum in Londen, Verenigd Koninkrijk en het Russisch Biofysisch Instituut, Pushchino.

Natuurpunt, een Belgische stichting die het opneemt voor de natuur in Vlaanderen, leverde een grote bijdrage aan de studie. De Hyla werkgroep die onderdeel uitmaakt van deze vereniging houdt zich al sinds 1987 bezig met projecten die betrekking hebben op amfibieën en reptielen. Leden van Hyla in Brasschaat coördineren sinds 1995 jaarlijks “paddenoverzetten” tijdens de lentemigratie van padden, kikkers en salamanders naar hun voortplantingsgebieden. Barrières worden geplaatst samen met ingegraven emmers om te vermijden dat de amfibieën de weg oversteken en zo ten prooi vallen aan het verkeer. Bovendien zijn recent tunnels onder de weg aangelegd zodat de dieren niet meer noodgedwongen bovengronds moeten oversteken. Vele avonden gingen de Hyla leden op pad, gewapend met enkele emmers en zaklampen, om de dieren te verzamelen en veilig over te zetten. Ook kwamen meerdere scholen een handje toesteken om ‘s morgens amfibieën te verzamelen en ze een veilig heenkomen te bezorgen. De kinderen kregen op deze manier een beginnende kennis over het leven van een amfibie, het “kus-de-kikker-en-hij-verandert-in-een-prins” verhaaltje inbegrepen, en konden aan den lijve ondervinden wat conservatie inhoudt. Hyla maakte het voor ons mogelijk om grote aantallen van de gewone pad (Bufo bufo) en bruine kikker (Rana temporaria) te fotograferen.
Amfibieën zijn wereldwijd in crisis: verschillende rapporteringen van misvormde dieren, ernstige populatie afnamen en extincties hebben de laatste jaren tot bezorgdheid geleid. Onderzoek dat informatie kan leveren over de kwaliteit van het milieu waarin de dieren leven draagt bij aan conservatiedoeleinden. Amfibieën bezitten een permeabele huid die makkelijk stoffen uit de omgeving opneemt, ook verblijven ze tijdens hun leven vaak zowel in het water als in terrestrische omgevingen. Effecten op amfibieën zouden dan ook een goede weerspiegeling zijn van schadelijke stoffen uit het omringend milieu, men beschouwt ze met andere woorden als zeer goede bio-indicatoren. Indien de digit ratio blijkt te verschillen tussen mannetjes en vrouwtjes, kan deze ratio mogelijk als aanwijzing gebruikt worden om een slechte omgevingskwaliteit op te sporen. Zo kunnen amfibieën misschien wel niet alleen zichzelf maar ook de mens helpen want we leven immers allen in dezelfde omgeving.
Anke Stolk (UA) , Robert Browne (CRC)

vrijdag 24 juli 2009

Wat een dode poema vertelt


Een laagvliegende troep kalkoengieren die in cirkels rondvliegt in het veld voorspelt veelal niet veel goeds …Maandagmorgen 20 juli was het onderzoeksteam van Project BioBrasil op weg naar het veld. Op een 100 tal meter van het veldstation zagen ze ineens een hele troep van de bekende zwarte vogels op en vlak boven de grond, wat erop wees dat een dier dichtbij gestorven was. Bij het naderen wachtte een verrassing… aan de rand van de weg lag een dode poema, een jong vrouwtje. Het kadaver was nog in relatief goede staat: niet opgeblazen en vooralsnog geen lijkgeur (doch dat zou snel veranderen…). Blijkbaar was het dier in de vroege morgenuren gestorven. Een vaag spoor in het struikgewas op de plaats waar ze lag suggereerde dat ze zich vanuit een plek in het woud naar de weg had gesleept en daar gestorven was. De ogenschijnlijk goede conditie van het dier, en een ronde opening in de borststreek deed ons vermoeden dat het hier misschien niet om een natuurlijke dood ging…

Gelukkig hebben we een dierenartse in het team, Lilian Catenacci, dus die werd onmiddellijk opgetrommeld om de necropsie te verrichten. Na het nemen van een aantal foto’s begonnen we eraan…Allereerst deed Lilian een extern onderzoek. Dat leverde geen sporen op van geweld, een gevecht met andere dieren, of gebroken botten die op een doodsoorzaak zouden kunnen wijzen. De huid was glanzend dik, en het dier leek perfect gezond toen het stierf. Er waren wel drie gaten in de huid, één ter hoogte van de borststreek, één op binnenkant van de rechtervoorpoot en één op de rechterachterpoot. Waar de twee laatste enigszins langwerpig waren en wellicht het werk van kalkoengieren, was de opening in de borststreek perfect rond.

Een volgende stap was het verwijderen van de huid. Die zouden we voorbereiden en doneren aan de plaatselijke universiteit van Santa Cruz. Daarbij vielen ons drie zaken op:

1) Op de plaats van de wonde in de borststreek was de spier en het weefsel eronder zeer sterk beschadigd. Aan de andere kant, op de plaats van de wonde aan de poten, was dit niet het geval. Opnieuw een suggestie dat de wonde in de borststreek een andere oorzaak had dan die aan de poten. 
2) De zone van de borststreek en de nek waren zeer sterk doorbloed, terwijl de rest van het lichaam eerder bleek was. Dit suggereerde een interne bloeding en een versterkte bloedstroom naar de borst en de hersenen, ten koste van de bevoorrading van de rest van het lichaam. 
3) Het dier was in een zeer goede conditie: stevige vetlaag, goed ontwikkelde spieren, sterk ontwikkelde ligamenten.
Na het verwijderen van de huid sneed Lilian het dier open om het interne onderzoek te doen. In de borststreek had er een heel sterke bloeding plaatsgehad. Vanaf de opening in de huid van de borststreek was er een kanaal gevormd tot aan het borstbeen. Dit suggereerde dat een projectiel met grote impact in het lichaam binnengedrongen was, en daar een extensieve interne bloeding veroorzaakt had. Deze bloeding heeft de dood van het dier tot gevolg gehad. We zochten nog naar een kogel in het lichaam doch vonden er geen.
Onderzoek van de maaginhoud toonde aan dat het vrouwtje net gegeten had toen ze gestorven was. Er zat nog onverteerd rood vlees in de maag. Opnieuw een suggestie dat ze voor de rest in perfecte gezondheidsstaat verkeerde.
Het kanaal waarlangs het projectiel was binnengedrongen vertoonde geen brandsporen, wat erop kan wijzen dat het om een pijlwonde ging. Hoewel weinig frequent zijn er nog jagers in de omgeving die deze methode gebruiken, omdat ze geluidloos is. Na het schot volgen ze het gewonde dier en trekken de pijl uit de wonde nadat het gestorven is. Op die manier laat de methode geen enkel spoor na.

Dit dier is dus hoogstwaarschijnlijk het slachtoffer geworden van een jager. Het reservaat zou een veilige haven moeten zijn, maar dat is duidelijk niet altijd het geval. Het onderzoeksteam registreert sinds een tweetal jaren regelmatig de aanwezigheid van vreemde personen, geweerschoten, jachthonden en vallen in het studiegebied, wat ook het lopende onderzoek op de goudkopleeuwaapjes niet ten goede komt. Het gaat hier niet om jagers die jagen voor hun voedsel, doch zogenaamde ‘plezierjagers’ die het aangeschoten dier niet altijd meenemen. Verantwoordelijke voor de bewaking van het reservaat is een team van het Instituut Chico Mendes voor Biodiversiteit. Doch een auto die regelmatig in panne ligt, een slechte uitrusting van de wachters van het reservaat, en gebrek aan mankracht maken dat dit niet voldoende kan gebeuren. We hopen dat de dood van dit vrouwtje en de wijze waarop een aanleiding zal zijn om het probleem strenger aan te pakken.

Kristel De Vleeschouwer, Lilian Catenacci en Carlos Cordeiro.

vrijdag 5 juni 2009

Nieuwe mensen, nieuwe zaken


Deze zomer starten er in ons onderzoekscentrum CRC maar liefst 3 nieuwe doctoraatsprojecten. Op 1 juli start de Belgische student Charles-Albert Petre aan een onderzoek binnen het Project Grands Signes in Kameroen. Charles-Albert zal zich buigen over de rol van gorilla’s bij het herstel van selectief gekapte tropische bossen als gevolg van de verspreiding van zaden in hun mest. Het project is een samenwerking met een onderzoeksgroep van het Laboratoire de foresterie tropicale et subtropicale in Gembloux. lees meer >>>

Eveneens in juli begint de Kameroenese student Denis Ndeloh Etiendem aan een doctoraatsproject rond de biologie en genetica van z.g. Cross River gorilla’s in Kameroen en Nigeria, een gorilla soort waar nog maar erg weinig van geweten is. De KMDA werkt in dit project samen met de Wildlife Conservation Society uit New York en de Vrije Universiteit van Brussel. Voor zijn eerste jaar heeft Denis een beurs van National Geographic Society, en voor de overige jaren ontvangt hij geld van de Vlaamse Interuniversitaire Raad voor Universitaire Ontwikkelingsamenwerking (VLIR-UOS). lees meer >>>

De derde doctoraatsstudent is de Duitse Katja Wolfram die vanaf september een populatiegenetische studie doet aan de monniksgieren in het EEP kweekprogramma en de geherintroduceerde populaties in Zuid Europa. Zij wil in samenwerking met de Universiteit van Antwerpen en de University of East Anglia in het Verenigd Koninkrijk onderzoeken of er een genetische basis is voor partnerkeuze bij monniksgieren. De uiteindelijk doelstelling is om te adviseren over het beheer van deze bedreigde diersoort in dierentuinen en de natuur. lees meer >>>

Zjef Pereboom

zondag 29 maart 2009

Een ARK in de diepvries

De Amphibian ARK is een initiatief van natuurbeschermingsorganisaties en zoos en om te ijveren voor conservatie, educatie en onderzoek voor het behoud van amfibieën. We weten echter nog veel te weinig van deze bijzondere diergroep om snel actie te kunnen ondernemen. Voor de korte termijn is daarom de doelstelling om zoveel mogelijk bedreigde amfibieënsoorten in veiligheid onder te brengen in zoos en aquaria, totdat we een oplossing gevonden hebben voor de crisis. Een heuse ARK in zoveel mogelijk zoo in de wereld. Evenwel, we kunnen onmogelijk alle bedreigde diersoorten een veilig heenkomen kunnen bieden in dierentuinen.

Om die reden is het CRC samen met enkele andere instituten bezig met de ontwikkeling van nieuwe technieken voor het minimaliseren van het aantal dieren dat nodig is voor de instandhouding van een soort. Cryopreserveren (bevriezing) van biologische materialen zoals weefselcellen, zaadcellen of zelfs bevruchte eicellen biedt de beste manier om dit te bereiken. Bij 80 graden onder nul, of nóg lagere temperaturen kunnen bevruchte eicellen of embryo’s lang bewaard worden. Net als in vruchtbaarheidsklinieken willen we deze techniek gebruiken om van een groot aantal bedreigde amfibieënsoorten voortplantingscellen op een veilige plek te bewaren. Moest het nodig zijn kunnen we ze ooit gebruiken om ernstig bedreigde amfibieën weer terug te brengen.
 

Zjef Pereboom - CRC

vrijdag 27 februari 2009

Eerlijke choco uit Kameroen


Het ‘Projet Grands Singes’ (PGS) van KMDA is een uniek wetenschappelijk project dat onderzoek, natuurbehoud en duurzame ontwikkeling combineert in één programma. Het hoofddoel van PGS is de bescherming van chimpansees en gorilla’s door middel van wetenschappelijk onderzoek, en duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen te stimuleren van bij de lokale bevolking. De plattelandsbevolking in het zuidoosten van Kameroen is zeer arm en steunt grotendeels op de hen omringende natuurlijke hulpbronnen voor voedsel en inkomsten. Samen met de lokale bevolking en lokale overheden zoekt PGS naar alternatieve inkomensbronnen om zo de nood aan commerciële jachtpraktijken te verminderen.

Een van onze meest recente projecten is een programma om de cultivering van cacao te verbeteren in de plattelandsdorpen in de Noordelijke Periferie van het Dja Biosfeer Reservaat waar onze wetenschappers hun onderzoek doen. Voor dat project heeft het CRC een beurs ontvangen van €19.000 van het EFICO fonds, een bedrijfsfonds onder beheer van de Koning Boudewijn Stichting.


De cultivering van een lucratieve variëteit van cacao kan helpen om de armoede te verminderen en het negatieve effect op het milieu te reduceren door duurzame ontwikkeling te stimuleren. Met het geld van EFICO zal PGS materialen en technische trainingen voorzien in samenwerking met Dr Dibog van het IRAD, het Kameroenese onderzoeksinstituut voor agronomie. Samen met de bevolking worden zo nieuwe cacaoplantages gecreëerd, om enerzijds de levensstandaard te verbeteren en daarnaast bij te dragen tot de bescherming van de natuurlijke hulpbronnen en mensapen.

Nikki Tagg, Zjef Pereboom

zondag 21 december 2008

Vadertje ooievaar


Voor het onderzoek aan de ooievaars van Planckendael, is 2008 een buitengewoon jaar geworden. Eind vorig jaar arriveerde in het CRC onderzoeksteam een Australische wetenschapper die zich 3 jaar lang zal bezighouden met het bestuderen van de ooievaars. Tot nu toe richtte het onderzoek aan de ooievaars zich uitsluitend op de bepaling van genetische relaties tussen de vogels in Planckendael aan de hand van het DNA uit hun veren. Jill is echter dit jaar begonnen met de uitbreiding van het onderzoek op Europese schaal, waarbij we zowel het DNA van ooievaars uit West- als die uit Oost Europa gaan bestuderen. De belangrijkste doelstelling is om te onderzoeken wat het effect is geweest van de herintroductieprojecten die sinds de jaren zestig hebben plaatsgevonden in heel Europa. Meer in het bijzonder kunnen we nu in detail onderzoeken waar de Planckendael ooievaars vandaan komen en waar “onze” vogels naar toe vliegen. Bovendien kunnen we op grond van deze informatie en historische gegevens, die verder aangevuld worden met ringgegevens en klimatologische data, veranderingen detecteren in het voorkomen van ooievaars in Europa en veranderingen in de jaarlijkse trek naar het zuiden. lees meer >>


Jill Shephard | Zjef Pereboom | CRC

woensdag 3 december 2008

Rooms with a view

Sinds enkele maanden wordt er hard gewerkt in de Zoo aan de bouw van nieuwe faciliteiten ‘achter de schermen’ voor het kweken en bestuderen van bedreigde amfibieën. In totaal worden er 4 nieuwe gespecialiseerde kamers ingericht.

De Iraanse kamer is in het bijzonder ingericht voor de huisvesting van reddings- en onderzoekscollecties van salamanders en andere amfibieën van Iran. De amfibieën van de Iraanse hoogvlakte worden sterk bedreigd door de klimaatverandering, welke vooral van invloed is op watersalamanders. In deze ruimte met speciale watertanks en filtersystemen verwachten we broedpopulaties in stand te kunnen houden en studies te doen ter verbetering van de voortplanting en de verzorging van deze dieren.

Grenzend aan de Iraanse kamer is de Afrikaanse kamer met wormsalamanders en andere amfibieën uit Centraal Afrika. Kameroen heeft de hoogste verscheidenheid (biodiversiteit) van amfibieën in Afrika, waaronder de ernstig bedreigde Lake Oku kikker. In de Afrikaanse kamer, zal de KMDA een kweekpopulatie van deze dieren huisvesten samen met broedpopulaties van andere ernstig bedreigde amfibieën uit Centraal Afrika. Door hun zeldzaamheid en onbekendheid vormen wormsalamanders een speciale groep binnen het KMDA reddingsprogramma. Zij bieden ons bovendien een unieke onderzoeksmogelijkheid. Nooit eerder werden hun gedrag en voortplanting uitvoerig bestudeerd. Samenwerking met Nederlandse en Vlaamse universiteiten biedt ons de mogelijkheid nog nooit onderzochte chemische stoffen uit hun huid te onderzoeken.

De speciaal gebouwde kamer voor de algemene collectie is hoofdzakelijk bedoeld om kikkers uit tropisch Amerika te huisvesten. In deze kamer met haar zeer hoge temperatuur en luchtvochtigheid houden we kleine onderzoeksgroepen en kweekpopulaties van bedreigde pijlgifkikkers en andere kleine kikkersoorten. Speciaal voor wetenschappelijk onderzoek naar de ontwikkeling van kikkervisjes is ook er een klein labo voorzien in deze kamer. Ter ondersteuning van de voortplanting bevat de kamer vier regentanks die worden gebruikt voor nabootsen van regenbuien voor het stimuleren van de voortplanting.

De vierde kamer zal worden gebruikt voor korte-termijn studies zoals de rol van ultraviolette straling op de ontwikkeling van kikkervisjes, of voor het verbeteren van de verzorging en voortplanting van amfibieën.

Met deze waaier van uiteenlopende en gespecialiseerde kamers heeft de KMDA de mogelijkheid te voorzien in een breed scala van belangrijke kweek- en reddingsprogramma's voor amfibieën, zowel op wetenschappelijk gebied als voor de actieve bescherming van amfibieën en hun natuurlijke leefomgeving.

Robert Browne | Zjef Pereboom | CRC

dinsdag 2 december 2008

Onderzoek en de KMDA

Wetenschappelijk onderzoek is een van de manieren voor de KMDA om bij te dragen aan conservatie. Voor die onderzoeksopdracht heeft de KMDA de beschikking over een eigen volledig toegerust onderzoekscentrum. Het Centre for Research and Conservation (CRC) bestaat uit een team van biologen, veeartsen, laboranten en studenten die zich bezig houden met wetenschappelijk onderzoek dat ten eerste kan helpen dieren op een verantwoorde manier te houden in dierentuinen, en ten tweede een bijdrage kan leveren aan het voortbestaan van een diersoort en hun natuurlijke leefmilieu.

Seks in de hoofdrol
De meest voor de hand liggende studieobjecten zijn natuurlijk diersoorten waar de KMDA al een boontje voor heeft, de dieren waar wij het kweekprogramma van beheren. Maar we werken ook met soorten waarin de KMDA een belangrijke rol speelt omdat we ofwel veel ervaring hebben met de kweek, of omdat we een groot deel van de totale populatie in huis hebben, of indien er een nood is aan onze specifieke expertise. Het meest vermaard zijn natuurlijk de bonobo’s van Planckendael. We onderzoeken daar onder andere hoe bonobo’s hun familieruzies oplossen en hoe zij zich met elkaar verzoenen nadien. Daarnaast wordt er momenteel hard gewerkt aan hoe bonobo’s hun “huishouden” organiseren en wat de rol van partnerkeuze is bij het voortplantingssucces van bonobo’s. Ondanks dat we al veel over bonobo’s geleerd hebben is het weten we nog steeds niet waarom sommige vrouwen een voorkeur voor een bepaald mannetje lijken te hebben. Dit zijn vragen die voor het kweekprogramma van bijzondere waarde zijn, en dit soort studies een voorbeeld voor andere kweekprogramma’s. Zo heeft het onderzoek naar het belang van partnerkeuze zich ook uitgebreid naar de monniksgieren. Het door de KMDA gecoördineerde kweekprogramma fungeert als bron voor herintroductieprojecten van monniksgieren in Frankrijk en Spanje, maar het huidige teleurstellende kweeksucces is een serieus gevaar voor het slagen van het volledige conservatieproject voor de soort. Uit ons onderzoek blijkt onder andere dat de tegenvallende kweekresultaten mogelijk veroorzaakt worden doordat wij niet weten hoe de dieren best te koppelen. Monnikgieren hebben immers een levenslange paarband, en nemen niet de eerste de beste als lief.

Stappen is soms een probleem
Binnen de KMDA wordt in de eerste plaats ook geprofiteerd van de beschikbaarheid van een unieke collectie dieren om experimentele gegevens aan te reiken in de discussies rond de evolutionaire oorsprong van het rechtop lopen bij onze verre voorouders. Ook hier spelen de bonobo’s en ook de gibbons een glansrol. De problemen die zij ondervinden bij het stappen kunnen ons inzicht verschaffen in onze eigen geschiedenis op twee benen. Daarnaast worden nieuwe technieken ontwikkeld en gebruikt die worden ingezet op bewegings-problematieken van meer praktische aard die specifiek zijn voor de zoo-wereld. Zo wordt gewerkt aan onderzoek naar de relatie tussen de aard van de bodem in een verblijf en hoef- en gewrichtsproblemen bij okapi’s. De onderzoeksmethoden die werden uitgewerkt voor deze studie, alsook de opgeleverde resultaten, zijn van grote waarde voor de huisvesting van hoefdieren in het algemeen.

DNA vul gaten in onze kennis
Het moderne DNA-labo biedt de KMDA een veelvoud aan praktische toepassingen en nieuwe onderzoeksmogelijkheden. Omdat bijvoorbeeld voor sommige vogelsoorten het geslacht moeilijk of niet uitwendig is te onderscheiden, is de genetische geslachtsbepaling cruciaal voor de kweekprogramma’s van allerlei vogelsoorten. Deze bepalingen gebeuren nu routinematig in de labo’s van de KMDA met behulp van DNA analyses. Maar DNA onderzoek is om nog een andere wijze belangrijk. Eén van de belangrijkste doestellingen binnen de kweekprogramma’s is om per diersoort zo veel mogelijk genetische diversiteit te behouden Alleen dan kan een diersoort op een verantwoorde manier gekweekt of behouden worden. Enkele diersoorten hebben om die reden een bevoorrechte positie en hun eigen DNA onderzoeksprojecten.

In het verleden werden op verschillende momenten nakomelingen van wilde hertzwijnen of babiroessa’s uit Indonesische dierentuinen naar Europese dierentuinen verscheept. Omdat we niet weten hoeveel wilde hertzwijnen aan de basis liggen van de kweek, willen we het aantal stamvaders en stammoeders achterhalen met behulp van DNA analyse. Zolang we niet weten hoe nauw de hertzwijnen die nu in dierentuinen leven aan elkaar verwant zijn kunnen we de verdere kweek dus moeilijk sturen. Ook voor het goudkopleeuwaapje bestuderen we de familiale banden tussen de dieren die vroeger vanuit Brazilië ingevoerd werden. Waarschijnlijk waren dat familiegroepjes, bestaande uit vader, moeder en de kinderen, wat tot gevolg heeft dat we mogelijk minder genetische variatie in de huidige dierentuinpopulatie hebben dan gedacht.

Het genetisch karakteriseren van de drie vermoedelijke ondersoorten van de soldatenara (en mogelijke hybriden) zal toelaten de kweek van deze ara’s ‘raszuiver’ te houden. Ten laatste willen we de genetische diversiteit van de kweekpopulatie van Kaapse zeepaardjes verifiëren en opvolgen. Daarvoor vergelijken we stalen van onze kweek met natuurlijke stalen. De eerste resultaten wijzen op een genetisch verarmde Antwerpse populatie.Ook de brilberen worden onder de loep worden genomen binnen een gezamenlijk project met de Universiteit Bolivië, de Universiteit Antwerpen en het 'Andean Bear specialist team' van de wereld conservatie organisatie IUCN. In de Zuidelijke Andes worden meststalen verzameld ism lokale onderzoekers om aldus meer te weten te komen over de verspreiding en populatiestructuur van deze soort.

Daarnaast kunnen we stellen dat het wetenschappelijk onderzoek door onze veeartsen bijdraagt aan de fysieke en mentale gezondheid van al onze dieren. Dit heeft uiteraard ook positieve gevolgen voor de realisatie van de doelstellingen van diverse kweekprogramma’s. Anderzijds proberen we met onze expertise ook een bijdrage te leveren aan het behoud van bedreigde diersoorten in hun natuurlijke leefomgeving. Daartoe is de KMDA momenteel actief in natuurbeschermingsprojecten in Vlaanderen (Natuurreservaat “De Zegge”), Kameroen en Brazilië, waar CRC-wetenschappers actief veldonderzoek doen en een directe invulling geven aan de natuurbehoudsmissie van de KMDA.

Zjef Pereboom

Zin en onzin van kweekprogramma’s





Conservatie, of natuurbehoud, omvat alle activiteiten die bijdragen tot het behouden van dieren, planten en de natuur in het algemeen. Dat kan enerzijds door bescherming van dieren en planten in hun natuurlijke leefomgeving en de zorg voor die leefomgeving zelf, anderzijds door bescherming van diersoorten op een andere plaats. Vooral voor dieren die in de natuur bedreigd worden of zijn uitgestorven, worden populaties in dierenparken in stand gehouden met behulp van kweekprogramma’s. Het merendeel van deze programma’s heeft als doel een zich zelf onderhoudende reservepopulatie op te bouwen voor het geval het met de natuurlijke populatie onverhoopt de verkeerde kant op gaat. Je zou het kunnen zien als soort moderne ‘Ark van Noë’. Een verdere doelstelling is om in tussentijd deze dieren te gebruiken als ambassadeurs voor hun soortgenoten in de natuur, voor natuurbeschermingseducatie, fondsenwerving voor conservatieprogramma’s in de natuur en voor wetenschappelijk onderzoek.

Niet enkel voor bedreigde diersoorten
Het is belangrijk duidelijk te stellen dat niet elke diersoort in een dierentuin deel uitmaakt van een kweekprogramma. Kweekprogramma’s zijn er ook niet alleen voor bedreigde diersoorten, en niet elke bedreigde soort wordt per definitie beheerd binnen een kweekprogramma. Ook andere soorten die van groot belang zijn voor dierentuinen, bijvoorbeeld omwille van hun educatieve waarde, en die zonder intensief beheer dreigen te verdwijnen uit de dierentuincollecties kunnen in een kweekprogramma beheerd worden Een andere belangrijke reden is om te voorkomen dat we dezelfde fouten maken als in “de goede oude tijd”, of in dit geval eerder “de slechte oude tijd”. Toen werden heel wat dieren rechtstreeks betrokken uit de natuur of aangekocht bij handelaren of andere dierentuinen. Onnodig te stellen dat deze dierenhandel vandaag de dag om verschillende redenen onaanvaardbaar is. Voor moderne dierentuinen is onderlinge uitwisseling van dieren uit de kweekprogramma’s ‘zonder winstoogmerk’ de norm.

Europese samenwerking en uitwisseling
Uiteraard kan een individuele dierentuin niet zelf een kweekprogramma beginnen. Dierentuinen die samenwerken door dieren te kweken en onderling uit te wisselen, moeten in zekere mate de afzonderlijke collecties op elkaar afstemmen. Indien elke dierentuin andere soorten houdt, is uitwisseling immers nog steeds niet mogelijk. Die afstemming gebeurt in wat men noemt een “regionaal collectieplan”. Dierentuinorganisaties zoals EAZA (European Association of Zoos and Aquaria) spelen hierbij een uiterst belangrijke rol. Die regionale dierentuinorganisaties kan je in zekere zin beschouwen als een soort kwaliteitslabel. Dierentuinen die lid zijn van deze organisaties moeten aan bepaalde kwaliteitsnormen voldoen en verbinden zich ertoe bepaalde gedragscodes na te leven, bijvoorbeeld in verband met samenwerking voor het beheer van de collectie en de kweekprogramma’s.

Beheer van de collecties: ESBs en EEPs
Als onderdeel van een regionaal collectieplan wordt voor elke soort bepaald op welk niveau de populatie van deze soort het best wordt beheerd. Voor de dierentuinen binnen EAZA zijn dat bijvoorbeeld het European Studbook, ofwel het Europese stamboek (ESB), en het European Endangered species Programme (EEP). Voor het ESB wordt een stamboekhouder (een werknemer uit één van de EAZA instituten) aangesteld om van de soort in kwestie alle bekende gegevens te verzamelen van alle dieren, zowel de levende als al hun voorouders. Aan de hand van deze informatie kan een familiestamboom van de soort worden opgesteld, en worden beslissingen genomen voor het beheer van de soort. Deze gegevens worden op regelmatige basis aangevuld en gepubliceerd in een stamboek (zoals men dat ook heeft voor raspaarden, rashonden enz). De KMDA beheert het ESB van de Mexicaanse soldatenara (Ara militaris mexicana) en de Fischer’s toerako (
Tauraco fischeri). We spreken van een internationaal stamboek waneer de stamboekhouder gegevens verzameld van alle dieren van één soort wereldwijd.In een EEP, wordt niet alleen een stamboekhouder maar ook een coördinator voor het kweekprogramma aangesteld. Voor de soort wordt dan niet alleen een stamboek bijgehouden, maar er worden ook op regelmatige basis aanbevelingen gedaan met betrekking tot welke individuen al dan niet mogen kweken en in welke combinaties, of naar welke dierentuinen dieren kunnen verhuizen. Vooral diersoorten die van bijzonder belang zijn en waarvoor het noodzakelijk is dat de populatie in een zo goed mogelijke conditie wordt gehouden, zoals bedreigde diersoorten, worden op dit niveau beheerd. De KMDA beheert het EEP van de Europese monniksgier (Aegypius monachus), en het EEP én het internationaal stamboek van de okapi (Okapia johnstoni), de bonobo (Pan paniscus), de Kongopauw (Afropavo congensis) en het goudkopleeuwaapje (Leontopithecus chrysomelas).

Herintroductie niet vanzelfsprekend
Een populair misverstand is dat elk kweekprogramma in het leven wordt geroepen om op relatief korte termijn de soort terug te kunnen uitzetten in de vrije natuur. Niets is minder waar. Het aantal diersoorten waarvoor een kweekprogramma wordt opgesteld met het specifieke doel om door herintroductie de aanwezigheid van die soort te proberen herstellen in een gebied waar ze is uitgestorven, is zelfs érg klein. Toch heeft de KMDA de eer het EEP te coördineren voor één van deze soorten. Vanuit Planckendeal beheren wij immers het kweekprogramma voor de Europese monniksgier. De jongen geboren binnen het EEP worden terug uitgezet in Frankrijk in samenwerking met de Black Vulture Conservation Foundation (BVCF) en La Ligue pour la Protection des Oiseaux (LPO). Voor het merendeel van de kweekprogramma’s is herintroductie echter geen doelstelling, onder meer omdat het zeer langdurige, complexe en kostbare projecten zijn met de nodige risico’s, en vaak weinig kans van slagen. Alleen met buitengewoon veel expertise, overleg, geestkracht en geduld heeft het zin een levensvatbare, vrij-levende populatie terug in de natuur tot stand te brengen.

Kristin Leus | Zjef Pereboom