Posts tonen met het label gedrag. Alle posts tonen
Posts tonen met het label gedrag. Alle posts tonen

dinsdag 4 oktober 2011

Moederlijk delen bij de bonobos in Planckendael

Bonobo's maken voor de uitwisseling van voedsel voor diensten mogelijk gebruik van principes die we kennen uit de economie, zo blijkt uit recent onderzoek in Planckendael Biologen en antropologen zijn erg geïnteresseerd in voedseldelen bij mensapen. We weten namelijk dat mensapen en andere primaten voedsel wederkerig kunnen uitwisselen (“als ik vandaag van jou een appel krijg, krijg jij er later eentje van mij”), maar voedsel kan ook uitgewisseld worden voor een andere pasmunt, bijvoorbeeld vlooien (“als jij mij veel vlooit, dan krijg jij van mij een appel”). Door dit soort “biologische markten” bij apen en andere dieren te bestuderen, hopen we te leren hoe dit gedrag bij mensen is geëvolueerd. Eerder onderzoek in Planckendael, en in de zoo van San Diego, toonde aan dat bonobo’s minder tolerant voedsel delen dan chimpansees. Bonobo’s stelen vaker voedsel van elkaar, geven het minder gemakkelijk weg en delen minder wederkerig dan chimpansees. Het onderzoek dat werd uitgevoerd in 2008 in Planckendael suggereerde dat dit kwam omdat de dominantiehiërarchie bij bonobo’s strikter is dan bij chimpansees.


Na dit onderzoek verhuisde een groot deel van de Planckendaelse bonobo’s naar andere dierentuinen in het kader van het kweekprogramma, en kwamen nieuwe dieren naar Planckendael. Een ideale situatie om in de zomer van 2010 dezelfde studie te hernemen met nieuwe studiedieren. Daarom trok Evelien De Groot, studente biologie aan de Universiteit Antwerpen, gewapend met papieren zakken vol bonobo-voer naar Planckendael. Door het voedsel in de zakken aan te bieden, kon één bonobo het voedsel gemakkelijker monopoliseren, en kon Evelien kijken wie er vervolgens mocht mee-eten. In het tweede deel van de studie kregen de bonobo’s bundels wilgentakken aangeboden. Door in deze twee verschillende contexten voedseldelen te stimuleren, kon er eveneens gekeken worden naar de invloed van het aanbod (zakken voedsel/bundel takken) op het voorkomen van de uitwisseling van voedsel. Takken zijn immers gemakkelijker te verdelen onder de dieren en men verwacht hierbij dus minder competitie en meer wederkerig voedseldelen, dan bij de sterk monopoliseerbare en dus moeilijker te verdelen zakken met voedsel.

Uit de resultaten kwam naar voor dat in tegenstelling tot de eerdere studies, de bonobo’s van de nieuwe groep toleranter waren in voedseldelen, hoewel er een zeer duidelijke en steile hiërarchie was. Voedsel werd niet wederkerig uitgewisseld, maar werd wel geruild voor vlooigedrag en omgekeerd. Dit wijst mogelijk op het bestaan van een biologische uitwisselingsmarkt. Was er voldoende tolerantie (bij minder competitie: de wilgcontext), dan werd er vaker toegestaan om voedsel te nemen. Verder was er een sterke invloed van verwantschap (vooral moeder Lina deelde veel voedsel met haar twee zonen Lucuma en Louisoko). Het grote verschil tussen de resultaten van de huidige en de vorige studie kan te wijten zijn aan de invloed van de groepssamenstelling en de persoonlijkheden van de dieren. Over het belang van persoonlijkheid in sociale relaties, wordt nu verder onderzoek verricht in Planckendael door doctoraatstudente Nicky Staes.

Evelien De Groot / Jeroen Stevens

maandag 22 augustus 2011

Springende gibbons apen oude grieken na


Gibbons zijn kleine mensapen die gekend zijn als behendige armslingeraars, maar onderzoek toont nu aan dat ze ook uitblinken in springen. Ze hebben hiervoor geen anatomische aanpassingen, maar gebruiken een speciale techniek waarbij ze hun lange armen naar voren zwaaien. Deze techniek lijkt op die van de Oude Grieken waarbij halters in elke hand werden gehouden om verder te kunnen springen.
Bij onderzoek dat werd uitgevoerd door onderzoekers van de K.U. Leuven, University of Liverpool, het CRC en de Universiteit Antwerpen in Dierenpark Planckendael (Muizen), en dat deze maand werd gepubliceerd in Biology Letters, werden sprongen van meer dan 5 m gemeten, heel wat voor een aapje van pakweg 6 kg. Op basis van de gemaakte video-opnames konden de onderzoekers berekenen dat gibbons hierbij meer arbeid verrichten dan tot hiertoe werd opgemeten bij de sprongen van andere dieren. Dit is bijzonder aangezien gibbons geen anatomische specialisaties bezitten voor springen. Ze zijn in staat tot deze opmerkelijke prestaties door hun lange armen naar voren te zwaaien, een techniek die lijkt op die van de Oude Grieken, waarbij halters in elke hand werden gehouden om verder te kunnen springen. Door het naar voren zwaaien van hun lange armen, een specifieke adaptatie voor armslingeren, kunnen gibbons de afstoottijd verlengen. Hierdoor is er meer tijd is om kracht te leveren en kunnen ze een langere afstand overbruggen tijdens een sprong. 
De  bijzondere springcapaciteiten zijn voor gibbons bijzonder belangrijk in het wild. Gibbons leven in het tropisch regenwoud in Zuid-Oost Azië en slingeren van de ene naar de andere boomkruin, veelal op grote hoogte. Als de afstand tussen twee bomen te groot wordt, dan moeten ze afdalen naar de woudbodem waar ze kwetsbaar zijn voor predatoren, of moeten ze springen van boom tot boom. Een goede inschatting van de sprong is hierbij van levensbelang. De uitmuntende springprestaties, die in deze studie werden opgemeten, komen hierbij goed van pas. 
Door de toenemende ontbossing zijn vele gibbonsoorten met uitsterven bedreigd en wordt hun habitat steeds meer gefragmenteerd. Ook in het kader hiervan is het belangrijk om een goede inschatting te kunnen maken van de afstand die gibbons kunnen overbruggen van boom tot boom.

Evie Vereecke (K.U. Leuven / University of Liverpool) en Kristaan D'Aout (CRC / UA)

zie ook de internationale pers:


zondag 6 juni 2010

Ruik ik nie lekker, ofwa?

Monniksgieren-ouders die elkaar leuk vinden zijn betere ouders dan monniksgieren uit een gedwongen huwelijk. Dat zijn de eerste voorlopige conclusies van gedragsonderzoek in Planckendael en enkele ander dierentuinen naar partnerkeuze en paarbinding bij deze vogelsoort.

Het CRC doet al enkele jaren wetenschappelijk onderzoek om uit te vogelen waarom sommige gierenparen wel en andere weer geen jonge monniksgiertjes maken. In 2005 en 2006 hebben we samen met Marleen Huyghe, de coördinator van het kweekprogramma, een enquête opgezet onder de Europese dierentuinen of te bekijken of de manier waarop monniksgieren gehouden worden een positief of negatief effect heeft op hun broedsucces. Dat bleek geen grote invloed te hebben, maar op grond van de resultaten werd toen verondersteld dat een goede paarbinding (dus of het “klikt” tussen twee dieren) waarschijnlijk heel belangrijk is voor broedsucces.
Drie studenten gingen daarom in 2007 en 2008 op pad om in Planckendael en Nederlandse en Duitse dierentuinen onderzoek te doen naar gedragingen die kunnen wijzen op een goede verstandhouding. De resultaten tot zover laten zien dat gierenpaartjes die succesvol jongen grootbrengen gedragingen vertonen die er inderdaad op wijzen dat de dieren die elkaar leuk vinden ook succesvollere ouders zijn;  ze groeten elkaar meer, ze vertonen minder agressie, ze hebben meer paringen en paren vroeger in het broedseizoen, en beide hebben een gelijke broedactiviteit in het nest als er een ei is. We willen deze gedragingen nu gebruiken als indicator voor een goede paarbinding, en kunnen misschien hiermee mogelijk voorspellen of nieuw gevormde paartjes succesvolle broedparen kunnen worden.
We maken in Planckendael al gebruik hiervan door voor jonge monniksgieren uit Europese dierentuinen als "huwelijksbureau" op te treden en zo gedwongen huwelijken te voorkomen.  In de grote volière zetten we meerdere jonge vogels bijeen en hopen dat er zich op die manier spontane koppels zullen vormen, en zo de kans op voortplanting te vergroten.

Maar we gaan nóg verder. In 2009 begon de Duitse doctoraatstudente Katja Wolfram bij het CRC aan een studie om te kijken op grond waarvan gieren hun partner dan kiezen. We gaan in deze studie uit van een gangbare theorie in de biologie dat dieren een partner kiezen op grond van verschillen in hun DNA. We weten bijvoorbeeld dat mensen (en nog een aantal andere diersoorten) een voorkeur hebben voor een partner met een immuunsysteem dat anders is dan hun eigen immuunsysteem. Op die manier krijgen hun kinderen een immuniteit tegen ziektes die zo groot mogelijk is (een combinatie van die van beide ouders dus). Die kleine verschillen tussen dieren zijn af te lezen in een stukje van hun DNA dat we het “Major Histocompatibility Complex” of MHC noemen, en dit soort onderzoek kunnen wij zelf in ons labo in de Zoo  doen. Monniksgieren kunnen dat natuurlijk niet, maar wetenschappers vermoeden dat zij kunnen ruiken of hun potentiële partner een genetisch goede of minder goede keuze is; bij mensen en muizen is dat bijvoorbeeld al vastgesteld.

Kortom, bij de monniksgieren in het Europese kweekprogramma én bij dieren uit de natuur willen we dus onderzoeken of de partners van succesvolle paartjes inderdaad meer verschillend DNA hebben, en of paartjes die elkaar “niet zo leuk vinden” juist meer vergelijkbaar DNA hebben. Op die manier zouden we in de toekomst op grond van DNA onderzoek kunnen voorspellen welke dieren een grotere kans hebben om succesvol te broeden en welke niet.
Zjef Pereboom - CRC

vrijdag 7 mei 2010

Zoobezoekers in de kijker

De gedragsbiologen van de Zoo en Planckendael onderzoeken niet enkel de dagelijkse beslommeringen van de dieren in onze parken, sinds kort bestuderen we ook het gedrag van onze bezoekers. In dierentuinen en vooral in musea in de Verenigde Staten wordt er veel onderzoek gedaan naar het gedrag en de ervaringen van de bezoekers. In Europese dierentuinen zijn zulke studies nog betrekkelijk schaars, maar sinds 2007 hebben we vanuit het CRC, in samenwerking met de Katholieke Hogeschool Sint Lieven uit Sint Niklaas, een aantal bezoekersstudies gedaan in Antwerpse Zoo en Planckendael om meer inzicht te krijgen in hoe onze bezoekers omgaan met de informatie die we aanbieden, en natuurlijk ook om te bekijken hoe we dat beter kunnen doen.
Een van de meest voor de hand liggende onderzoeksmethodes is eenvoudigweg het stellen van vragen aan bezoekers. In een eerste enquête over de rol van een moderne dierentuin hebben we 200 bezoekers geïnterviewd in drie Belgische dierentuinen: de Antwerpse Zoo, Bellewaerde Park en de Olmense Zoo. Hieruit bleek dat bezoekers van de verschillende parken verschillende opvattingen hebben over de functie van een dierentuin: Bezoekers van de Zoo van Antwerpen waarderen 'onderwijs' en 'onderzoek' gemiddeld meer dan de bezoekers van de Olmense Zoo of Bellewaerde. Maar in de laatste parken gaven bezoekers hogere scores aan 'recreatie' als een van de functies van een dierentuin. Bezoekers gaven verder aan dat ze vaak informatieve borden lezen en dat ze het liefst van al werken met interactieve vormen van educatie, zoals panelen met drukknoppen of computerschermen.

Er is natuurlijk een groot verschil tussen wat bezoekers zéggen dat ze doen, en hun uiteindelijke gedrag. Daarom observeren we ook het gedrag van bezoekers – een lang en moeizaam klusje voor studenten. Onze eerste studies in het reptielenhuis en  in Vriesland in de Zoo toonden aan dat de meeste bezoekers niet erg veel tijd besteden aan educatieve panelen en televisieschermen, en dat dieren nog steeds de grootste attractie voor bezoekers zijn. Dit werd later bevestigd in een grotere studie in de Aziatische serre in Planckendael, waar 532 bezoekers werden gevolgd. Hier konden we aantonen dat interactieve educatie de bezoekers inderdaad meer aanspreekt, en dan vooral de jongere leeftijdsgroepen.


Nu we de smaak te pakken hebben, proberen we vaker en op iets grotere schaal bezoekersstudies te organiseren. Zo interviewden we 300 bezoekers over het mensapengebouw. Verder hebben twee studenten afgelopen zomer het gedrag van bezoekers in het nachtdierengebouw opgevolgd en hebben ze in dezelfde periode interviews afgenomen van bezoekers. Om het helemaal spannend te maken onderzochten we of de hoeveelheid licht het gedrag en de beleving van bezoekers in dit gebouw beïnvloedt. De eerste analyses van deze studie wijzen uit dat de hoeveelheid licht niet het gedrag van de bezoekers beïnvloedt, maar dat ze wel het gebouw positiever waarderen. Uit deze eerste projecten, waarbij we naast het bestuderen van onze dieren, ook onze bezoekers onderzochten, bleek vooral dat dit onderzoek ons heel veel bruikbare informatie oplevert. We willen in de KMDA immers aan de bezoekers een leuk dagje dierentuin aanbieden, maar ook investeren we in educatie en informatie. Door te evalueren wat bezoekers willen en ook wat ze doen, kan wetenschappelijk onderzoek in onze tuinen ook rechtstreeks worden gebruikt om deze investeringen te evalueren, te kijken of de boodschap die we willen brengen overkomt en waar nodig bij te sturen, zodat we samen met andere afdelingen kunnen bijdragen aan een nog betere ervaring van een dierentuinbezoek voor onze bezoekers.

Jeroen Stevens, Linda Van Elsacker (CRC), Hilde Vervaecke (KHoSL)

dinsdag 2 februari 2010

Hippie wordt kannibaal


Onderzoekers in Congo kwamen deze week met een verrassend nieuwtje in het American Journal for Primatology: zij zagen hoe wilde bonobo’s het vlees van een dood bonobo-jong opaten. Opmerkelijk is dat ook de moeder van het jong zelf mee at van het vlees. 

Bonobo’s worden vaak als vriendelijk, niet agressief en empathisch omschreven. In de jaren zeventig kwam het gedragsonderzoek naar deze soort op gang en werden onderzoekers getroffen door de verschillen met chimpansees. Van chimpansees wist men toen al dat zij oorlog voerden, kleine apensoorten vingen en opaten en ook jongen van hun eigen soort doodden en opaten. De bonobo daarentegen werd beschouwd als de vredelievende mensaap die alle conflicten oploste met seks, weinig vlees at en kreeg als bijnaam de “hippie onder de mensapen”. Deze metafoor sloeg aan in de media en geraakte ingeburgerd in de cultuur van de jaren negentig. Zo schreef Hugo Claus zelfs een gedicht over de bonobo, en schreef in zijn roman “onvoltooid verleden”: “'Want dit zijn bonobo's of pygmee-apen en die zijn vredig. Zoals jij, Broer. En zoals jij doorlopend hitsig.”

Vorig jaar al doorbraken de bonobo’s van Lui Kotale het stereotiepe beeld van de vredelievende, haast vegetarische bonobo. Toen meldden onderzoekers van dezelfde onderzoeksgroep dat deze bonobo’s regelmatig vlees aten, en ook kleinere apensoorten, zoals meerkatten, mangabeys en colobusapen vingen en opaten. Nu komt daar dus het verhaal bij over hoe een bonobo-moeder verscheen met haar eigen, pas overleden jong van een jaar of twee, drie. Het lijkje werd afgepakt door een ander, meer dominante bonobo-vrouw, die een half uurtje later van het dode jong begon te eten. Kort daarna at ook de moeder zelf mee, en later bemachtigden verschillende volwassen mannen en vrouwen een stukje vlees en aten het op. Volgens de onderzoekers is dit geen afwijkend gedrag. Het werd ook al beschreven voor wilde orang-oetans en chimpansees.

In Planckendael, waar de bonobo’s dit jaar 20 jaar bestudeerd zijn, is dit gedrag tot hiertoe nog niet waargenomen. Ook in het internationale kweekprogramma voor deze soort, dat sinds 1987 door biologen van de KMDA wordt gecoördineerd, is zoiets nog niet gemeld. Toch verrast het de onderzoekers niet: wie langer naar de bonobo’s kijkt, ziet al gauw dat ze niet écht liever zijn dan chimpansees. Ze kunnen elkaar het bloed van onder de nagels pesten en schuwen ook agressie niet. Af en toe vallen er gewonden, soms stort de hele groep zich op één zondebok. Het klopt dat ze het nadien vaak goedmaken - soms met seks, soms met vlooigedrag – maar dat is zeker niet altijd zo. Het voorval van kannibalisme komt niet geheel onverwacht, maar bewijst dat ook bij de bonobo, de aap nog niet helemaal uit de mouw is en we over deze soort nog veel kunnen leren.


Jeroen Stevens 

foto: Maarten van der Voorde

woensdag 14 oktober 2009

Liegen om het hardst


Apen kunnen liegen dat het barst als er voedsel in het spel is, zo bleek uit een recente publicatie. In Planckendael wisten we dat al langer. Ook onze bonobo’s liegen er vrolijk op los.
In het wetenschappelijke tijdschrift Proceedings of the Royal Society B beschrijven de onderzoekers een onderzoek met kapucijnaapjes in Argentinië. Gewoonlijk waarschuwen kapucijnaapjes hun groepsleden bij naderend gevaar met alarmkreten. Maar het onderzoek beschrijft dat kapucijnapen dezelfde alarmkreten misbruiken als ze ergens eten vinden, waarna de anderen hun aandacht op de denkbeeldige vijand richten in plaats van op het voedsel. De onderzoekers deden een experiment waarbij ze stukjes fruit verstopten en observeerden wat er gebeurt als een kapucijnaap het fruit vindt. Daarbij letten ze vooral op wie, wanneer, en hoe vaak er een alarmkreet geslaakt werd, en hoe de groepsleden reageerden.

Het bleek dat dominante dieren - zoals te verwachten - geen bedrog nodig hebben om hun beloning op te eisen. Het dier met de hoogste rang in de groep sloeg zelden of nooit vals alarm; ondergeschikte dieren des te meer. Daarnaast bleek dat er vaker alarmkreten gegeven worden als er méér potentiële concurrenten zijn, of als er meer voedsel werd ontdekt en dus wanneer de beloning hoger is. Een overduidelijke aanwijzing dus dat sommige apen de boel belazeren om een voordeeltje te behalen. Of dit bewuste bedriegerij is valt moeilijk te bewijzen. Immers, de diertjes kunnen dit gedrag ook vertonen omdat ze simpelweg hebben ervaren dat ze met het slaken van alarmkreten meer voedsel bemachtigen.

Onze bonobo’s in Planckendael kennen een vergelijkbare truc om hun groepsgenoten te misleiden, zo bleek uit CRC onderzoek door Ellen Van Krunkelsven en Lien Verstraete van enkele jaren geleden. Bonobo’s slaken vaak luide kreten van opwinding wanneer ze voedsel vinden in hun verblijf. Uit observaties bleek het vooral de dominante vrouwtjes waren die hun opwinding lieten blijken als zij als eerste het voedsel ontdekten. Experimenten bevestigden dat mannetjes en ondergeschikte vrouwtjes hun kreten onderdrukken, maar als ze dit in hun opwinding een keertje vergaten, de hooggerangde dieren er als de kippen bijwaren om het voedsel af te pakken. Klaarblijkelijk trekt al dat geroep de aandacht van de anderen, en loopt je zo de kans je kostbare vondst te moeten afstaan aan een dominanter dier. Reden te meer dus om je enthousiasme zoveel mogelijk te beteugelen.

Het onderzoek wees ook uit dat de bonobo’s dit gedrag moeten aanleren en dat de sociale context een grote rol speelt hierbij. Jonge dieren onderdrukken hun opwinding niet, en er werd hen dus vaker voedsel afgepakt. Maar naarmate ze ouder werden gebruikten ze steeds vaker de tactiek om maar gewoon hun mond te houden, en met succes.....

Zjef Pereboom (CRC)
foto: Frans De Waal/PLOS

dinsdag 6 oktober 2009

Verrijking met een geurtje

Sinds enkele tientallen jaren maken dierentuinen
over de hele wereld steeds vaker gebruik van gedragsverrijking om ervoor te zorgen dat de dieren voldoende afleiding hebben en minder ongewenst gedrag gaan vertonen, zoals het zogenaamde “ijsberen”. De laatste jaren bestaat er een trend om hierbij gebruik te maken van geuren als gedragsverrijking. Veel roofdiersoorten hebben immers een uitstekende reukzin. Een recente studie toonde aan dat deze vorm van verrijking tot nog toe vooral bij katachtigen werd toegepast, maar veel minder bij hondachtigen en helemaal niets werd uitgevoerd bij hyena’s, hoewel ook zij bekend staan om hun goede reukvermogen.

Daarom besloten we om een onderzoek uit te voeren naar het gebruik van geurverrijking bij de gevlekte hyena’s in Planckendael. Eerdere studies bij hyena’s hadden wel aangetoond dat hyena’s verschillende geuren kunnen onderscheiden, maar er was weinig geweten over de invloed van geuren op het gedrag van hyena’s doorheen de dag. Stagiaire Heleen Ceuppens van de Katholieke Hogeschool Sint Lieven te Sint Niklaas trok aan de slag. Zij bood aan de hyena’s 3 verschillende geuren aan. Bloed werd gekozen omdat deze geur bij onze hyena’s bekend is (ze eten vlees). Daarnaast gebruikten we twee etherische oliën: pepermuntolie en lavendelolie. Van de eerste werd in eerdere studies aangetoond dat hij een opwekkende invloed had op het gedrag van honden, de tweede zou rustgevend werken. Heleen sprenkelde elke geur steeds op één pakje stro dat in het verblijf werd gelegd, dit werd het gemarkeerde pakje stro. Daarnaast legden we in het verblijf ook telkens een pakje ongemarkeerd stro. Zo werd elke geur op vijf verschillende dagen aan de hyena’s aangeboden. Om te kijken of stro op zich een effect had, voorzagen we ook vijf dagen waarop de hyena’s twee pakjes ongemarkeerd stro kregen. Bovendien keek Heleen natuurlijk ook op vijf dagen zonder enige extra verrijking. Al tijdens de observaties viel op dat de hyena’s heel fel reageerden op pepermuntolie: ze snuffelden veel aan het gemarkeerde stro en gingen er zelfs in liggen rollen. Daarna roken ze natuurlijk zelf helemaal naar pepermunt, zodat ze zichzelf begonnen schoon te likken en ook opvallend meer met elkaar speelden. Dit alles zorgde ervoor dat in aanwezigheid van pepermuntolie inderdaad het “ijsbeer” gedrag verminderde. De geuren van bloed en lavendel hadden een gelijkaardig effect: beide verminderden het stereotiepe “ijsberen”, maar zorgden niet echt voor meer sociale interacties. Hoewel we dus erg tevreden waren met onze geurexperimenten, die voor het eerst aantoonden dat geuren kunnen gebruikt worden als verrijking voor hyena’s, zat er een onverwacht staartje aan het verhaal. Uit de analyses bleek namelijk dat de beste remedie tegen stereotiep “ijsberen” bestond uit het aanbieden van twee pakjes stro zonder geuren. Op die controledagen stereotiepeerden de hyena’s het minst, omdat ze gewoon de hele namiddag lagen te zonnen, elk op zijn eigen pakje ongemarkeerd stro!
We weten nu dus dat we in de toekomst het leven van onze hyena’s kunnen verrijken door hen gewoonweg stro aan te bieden, waarop we zo af en toe een drupje pepermuntolie kunnen sprenkelen om het spannend te houden.

Jeroen Stevens - CRC

foto: Jeroen Stevens

Op de vlooienmarkt

Het vlooigedrag bij apen heeft met ongedierte weinig van doen. Hoewel de apen af en toe wel eens een luis of een neet te pakken krijgen, gaat het bij dit gedrag toch vooral om sociale relaties. Door elkaar te vlooien, vormen of bevestigen apen vriendschapsbanden. Sinds tientallen jaren buigen biologen zich over het vlooigedrag bij verschillende apensoorten.


Vlooigedrag gebeurt niet zomaar: biologen gaan ervan uit dat het gedrag voor de apen kostelijk is: de tijd die een aap besteedt aan het vlooien van een groepsgenoot, kan hij niet besteden aan het zoeken naar voedsel, of aan het zichzelf vlooien. Dus moeten apen keuzes maken: wie zal ik vlooien, en wat krijg ik ervoor terug? Vooral dat laatste houdt biologen die in Planckendael de bonobo’s onderzoeken al een vijftiental jaren bezig. Het blijkt immers dat verschillende soorten primaten bij het vlooien een marktmodel volgen, gebaseerd op de economische wetten van vraag en aanbod. Als er veel partners beschikbaar zijn, stijgt het aanbod, maar ook de vraag. Dergelijke “biologische marktmodellen” zijn hot topic. Uit onderzoek van Hilde Vervaecke en Jeroen Stevens is gebleken dat de bonobo’s ook andere diensten “betalen” met vlooigedrag: wie vaak een andere bonobo vlooit, kan bij ruzies rekenen op de steun van zijn vaste vlooipartner. Daarnaast is vlooien bij bonobo’s vooral wederkerig: “als jij mij vlooit, dan vlooi ik jou”. Wanneer we verschillende bonobogroepen in dierentuinen bekijken, zien we dat deze wederkerigheid samenhangt met de dominantiestijl van de groep: sommige groepen zijn despotisch, met een duidelijke, strikte rangorde en hier wordt minder wederkerig gevlooid. Andere groepen zijn eerder egalitair, alle dieren hebben meer gelijkaardige rangen, en in deze groepen gebeurt vlooien wel voornamelijk wederkerig. Mensengroepen gelden doorgaans als egalitair (toch in vergelijking met sommige apensoorten) en misschien ligt deze egalitaire samenleving dus wel aan de basis van onze neiging om diensten en wederdiensten te bewijzen?

Dit jaar neemt Nikki Staes, Master student aan de Universiteit van Antwerpen, het vlooigedrag van de bonobo’s in Planckendael nog nauwkeuriger onder de loep. Zij kijkt niet alleen naar hoe vaak de bonobo’s elkaar vlooien, maar ook of ze elkaar even lang vlooien. Een vlooisessie bestaat immers uit korte episodes waarbij de vlooipartners geregeld van rol veranderen: eerst vlooit bonobo A zijn groepsgenoot bonobo B voor een tijdje, en direct daarna is het de beurt aan bonobo B. We vragen ons nu af of ze daarbij min of meer bijhouden hoe lang ze gevlooid zijn en hun eigen vlooi investering daaraan aanpassen. Uit onderzoek van bavianen en makaken blijkt alvast dat zij in staat zijn om op die manier de rekening bij te houden. Maar capucijnapen en chimpansees, die als “intelligenter” te boek staan, balanceren nu juist niét op kortere termijn! Dus misschien gaat het niet om intelligentie, maar is ook dit weer terug te voeren op verschillen in dominantiestijl? De onderzoeken van Nikki zullen het hopelijk uitwijzen!

Nikki Staes (Universiteit Antwerpen) & Jeroen Stevens (CRC)
foto: Jeroen Stevens

dinsdag 29 september 2009

Leuk, leuk, leuk!!! ...bezoekers...


Heb je dat ook wel eens gehad!? Je staat voor een dierenverblijf in de Zoo, en één van de dieren komt naar je toe “om met je te spelen”. Veel mensen zullen je voor gek verklaren, maar zo heel gek is die gedachte niet eens. Zoobezoekers kunnen wel degelijke een positieve invloed hebben op het gedrag en het welzijn van de dieren. We spreken dan van verrijking. Maar de invloed van bezoekers kan ook negatief zijn en zich uiten in een toename van stressgedragingen of agressie tussen de dieren.

Om meer inzicht te verkrijgen in de effecten van bezoekers op verschillende diersoorten die eenzelfde verblijf delen, evalueerden we het gedrag van ezelspinguïns, koningspinguïns en macaronipinguïns in de Antwerpse Zoo. Uit de resultaten bleek dat - in tegenstelling tot wilde pinguïns - alle drie de soorten veel minder agressieve gedragingen vertoonden met toenemende bezoekersaantallen. Dit kan komen omdat pinguïns waakzamer zijn in aanwezigheid van bezoekers (en liever geen tijd besteden aan ruzie maken), of omdat bezoekers een verrijkend effect hebben. Dit laatste lijkt inderdaad het geval voor de ezelspinguïns. Zij bleken een sterke voorkeur te hebben om te zwemmen voor een groot onderwaterraam, vooral wanneer er méér bezoekers stonden. Maar die bezoekers bleken tegelijkertijd ook stresserend te kunnen zijn aan de andere kant van het verblijf. Wanneer er veel bezoekers stonden aan de rechterkant, waar ze hoog boven de zwemmende pinguïns uittorenen, verdween die duidelijke voorkeur, en leken de pinguïns de bezoekers te mijden. Dit laat duidelijk zien dat bezoekers zowel een verrijkende als stresserende invloed kunnen hebben op dierentuindieren. Maar de studie geeft ook aan dat de studie van bezoekerseffecten ons kanhelpen het welzijn van zoodieren te verbeteren én te waarborgen, en dat een juiste inrichting van het verblijf van groot belang kan zijn.


Melanie Rosenhart (VU Amsterdam) & Zjef Pereboom (CRC)

dinsdag 5 mei 2009

Vreemdgaan loont....

…. maar vrouwen hebben het voor het zeggen.

In de tropische serre in Azië in Planckendael houden we twee soorten gibbons. Net als in de meeste dierentuinen worden gibbons bijna altijd in paartjes gehouden, met soms één of enkele van hun jongen. We proberen hiermee de natuurlijke groepssamenstelling na te bootsen: één volwassen mannetje, één volwassen vrouwtje en, al dan niet hun nakomelingen. Mannetjes en vrouwtjes komen hun grote liefde tegen wanneer ze uit het oudergezin vertrekken en in hun eentje rondzwerven. Vaak vormt zich dan een langdurige paarband, en het koppel vormt dan een gezamenlijk territorium. Het ideaal van “
Liefde op het eerste gezicht” en “Trouw tot in de dood”. Maar recent onderzoek lijkt er toch op te wijzen dat gibbons het niet zo nauw nemen met de ‘eeuwige echtelijke trouw’.

De meeste primatensoorten vormen sociale groepen van meerdere vrouwen, onder andere omdat ze dan 1) voedselbronnen kunnen verdedigen tegen andere primaten, 2) in groepen een kleinere kans hebben gepakt te worden door een roofdier (“meer ogen zien meer”). Mannen verbinden zich aan zulke groepen opdat ze kunnen paren met de vrouwen in de groep, met als bijkomend voordeel dat ze de vrouwen en jongen kunnen beschermen.

Doordat gibbons vrij gespecialiseerd zijn in hun voedingsgewoonten (rijp fruit), en de verdeling van rijp fruit nogal verspreid is, kunnen vrouwen het zich niet veroorloven om - zoals bij veel primaten wel het geval is - in sociale groepen van meerdere vrouwen te leven, omdat er dan te veel voedselconcurrentie zou optreden. De ander verklaring waarom de meeste primaten in grote groepen zouden leven - namelijk predatievermijding - gaat ook niet op voor gibbons omdat de voordelen van het vermijden van roofdieren niet opweegt tegen de nadelen van het concurreren om voedsel.

Traditioneel worden gibbons gezien als monogame dieren die hun hele leven bij elkaar blijven, en enkel met hun eigen partner paren. Het sociale systeem van gibbons is echter veel flexibeler dan altijd gedacht werd. Sinds een jaar of 10 verschijnen er publicaties waarin gesteld wordt dat gibbons het niet zo nauw nemen met de ‘eeuwige echtelijke trouw’. Langdurige studies (in withandgibbons en siamangs) hebben uitgewezen dat die paartjes niet noodzakelijk levenslang bij elkaar zijn. Volwassen mannetjes verlaten hun partner soms tijdelijk om met andere vrouwtjes te paren. Soms kan het vertrek permanent zijn en er een nieuwe paarband ontstaan, bijvoorbeeld wanneer een vrouwtje in het naburige territorium haar mannelijke partner heeft verloren (ofwel door dood ofwel omdat die man ook vertrokken is). Mannetjes kunnen ook een territorium én een vrouwtje verwerven door binnen te dringen in een naburig territorium en geleidelijk aan het oude mannetje weg te jagen. In die periode kan het vrouwtje zelf met beide mannen paren.

Men veronderstelt dat gibbonmannen en -vrouwen ‘vreemd gaan’, of een geheel nieuwe paarband aangaan om te kunnen paren met een partner van een hogere kwaliteit. Voor mannen loont het bovendien om met meerdere vrouwen te paren omdat hun dat ook meerdere nakomelingen kan opleveren in een korte tijd (de eerste paar jaren na een zwangerschap is een vrouw namelijk niet receptief). Voor vrouwen is het zinvol met meerdere mannen te paren vanuit het perspectief van infanticidevermijding.


Wat is infanticide?
Infanticide, ook wel kindermoord genoemd, is het gedrag waarbij een volwassen dier een van moederlijke zorg afhankelijk jong (een infant) van de eigen diersoort doodt. Infanticide komt voor bij een groot aantal diersoorten waaronder muizen, leeuwen, zebra's, en is veel beschreven voor verschillende primatensoorten. De plegers van infanticide zijn doorgaans de mannetjes.

Waarom plegen mannen infanticide?
Vrouwtjes die hun jongen nog zogen zijn meestal onvruchtbaar, omdat de melkvloed de maandelijkse eisprong onderdrukt. Nadat het infant gespeend is, of als de frequentie van zogen vermindert, komt de eisprong doorgaans weer snel op gang. Ditzelfde effect treedt op als een infant vóór het einde van de speentijd overlijdt, en het vrouwtje is dan binnen de kortste keren weer vruchtbaar. Voor een mannetje dat niet de vader is van een jong kan het dus interessant zijn een zogend kind te doden omdat de moeder dan sneller vruchtbaar is, en hij een eigen jong kan verwekken. Bovendien kan een vrouw ook niet langer investeren in de nakomelingen van een andere man.

Wat doen vrouwen hiertegen?
Voor vrouwen is infanticide altijd nadelig, en vrouwtjes hebben bijgevolg verschillende tegenstrategieën ontwikkeld. Eén van de meest succesvol geachte strategieën bij primaten is vaderschapsverwarring. Deze theorie gaat er van uit dat wanneer vrouwen regelmatig met meerdere volwassen mannen paren, deze mannen geen idee hebben wie de vader is van een jong. En als je niet weet of je wél of niét de vader bent loont het dus ook niet om een kind te doden.




Infanticide komt inderdaad niet of nauwelijks voor bij gibbons, wat er op zou kunnen wijzen dat vrouwen door hun promiscuïteit effectief infanticide kunnen voorkomen. Een andere aanwijzing dat er sprake is van effectieve vaderschapsverwarring is dat mannen - of ze nou wel of niet de vader zijn - op een ‘vaderlijke’ manier met de jongen omgaan. Het feit dat vaders niet weten of een jong nou wel of niet zijn éigen jong is, kan ook verklaren waarom mannen soms niet terugkeren naar hun vrouw, zelfs als hij haar nieuwe partner kunnen zien of horen. Hun jongen worden toch wel verzorgd door die andere man. En zo blijkt dat - ook al gaan de mannen hun boekje te buiten - het uiteindelijk toch de vrouwen zijn die aan het langste eind trekken.

Zjef Pereboom

maandag 22 december 2008

De Baas in huis

In 1913 deed de Noorse onderzoeker Sjelderupp-Ebbe een belangwekkende ontdekking. Hij was als kind al gefascineerd door zijn kleine toom kippen en hield zorgvuldig bij welke kip door wie werd gepikt. Uiteindelijk bleek uit deze aantekeningen dat er een pikorde bestaat – of zoals het later meer algemeen werd genoemd, een dominantiehiërarchie.

Intussen weten we dat dominantiehiërarchieën bij heel veel in groepen levende diersoorten bestaan en dat die soms belangrijke invloed kan hebben op het leven van dieren. Stress en reproductief succes, het kan allemaal afhangen van je plaats in de dominantiehiërarchie. Maar het komt bij het bepalen van zo een hiërarchie niet altijd alleen neer op zorgen dat je pikt en niet gepikt wordt, zoals bij de kippen van Sjelderup-Ebbe. Vooral bij apen en mensapen wordt de hiërarchie beïnvloed door een subtiel en complex netwerk van sociale relaties. Bovendien blijkt dat dominantie niet altijd even sterk uitgesproken is, zelfs bij diersoorten die nauw verwant zijn aan elkaar. We kunnen spreken van “despotische” soorten, waarbij dominantie sterk uitgesproken is, maar er zijn ook “egalitaire soorten” waarbij rangverschillen niet zo erg groot zijn en waar de invloed van dominantie wellicht ook minder sterk is. Tijdens mijn doctoraatsstudie naar mannelijke bonobo’s ontwikkelde ik, samen met Hilde Vervaecke en statisticus Han de Vries van de universiteit van Utrecht, een methode om de dominantiestijl gemakkelijker te kunnen beschrijven. Die methode werkt alvast voor bonobo’s – nu is de vraag of ze ook voor andere diersoorten bruikbaar is. Handig als je onderzoek doet in de dierentuinen van Antwerpen en Planckendael – want daar heb je natuurlijk “proefkonijnen” genoeg.

Jeroen Stevens

dinsdag 2 december 2008

Monkey Quest in de ZOO

Vroeg begonnen, is half gewonnen, dacht Adinda Sannen, die enkele jaren geleden nog zelf haar doctoraat in de gedragsbiologie bij de bonobo’s in Planckendael afrondde. Inmiddels geeft zij les aan het Sint Gabriëlcollege in Mortsel, in de laatste jaren van de middelbare opleiding. Samen met haar collega Heidi Gerard, die ook gidst in Planckendael, spoorden ze hun leerlingen aan om een mini-project op poten te zetten rond het observeren van aapjes in de zoo, onder de naam “Monkey Quest”. We laten de leerlingen Evert Wouters, Sarah De Rademaeker en Annelies Jacobs zelf aan het woord over hun ervaringen:


“Apen in gevangenschap hebben een veilig en rustig leventje. Dat lijkt allemaal mooi en aardig, maar zo’n kleine omgeving kan snel voor verveling zorgen. Daar wilden wij iets aan doen. Het Project Zelfstandig Werk “Monkey Quest” gaf ons de mogelijkheid de dagelijkse sleur van de apen te doorbreken. Ons doel was gedragsverrijking te ontwerpen voor verschillende soorten aapjes (bv. het witoorpenseelaapje, de kuifbaviaan, de springtamarin, dwergzijdeaapje… ). Elk groepje koos een aapje en ging aan de slag. We leerden eerst meer over de soorten en over de observatie van het gedrag van dieren. Na eerst ervaring opgedaan te hebben door observatie van de kleuterklassen in ons college, zijn we naar de Zoo van Antwerpen getrokken. Daar aangekomen vergaapten we ons aan de speelse wijze waarop de beestjes elkaar de vlooien uit de vacht pulkten. We werden vriendelijk ontvangen door het “enrichment-team” van de Zoo, installeerden ons voor de kooi van onze aapjes, namen ons observatiepapier en grepen naar de balpen. Turven werd ons lust en leven.”
Er volgden nog 2 tripjes naar de Zoo en uiteindelijk mochten de leerlingen hun eigen gedragsverrijking ontwerpen. De voorstellen werden gekeurd door Zoo-medewerker Jeroen Stevens en vrijwilligster Ingrid De Decker, waarna uiteindelijk vier ontwerpen uitgewerkt werden in samenwerking met de enrichment vrijwilligers en de verzorgers. “Vol verwachtingen gingen we een laatste keer naar de Zoo. In de kooien van “onze” aapjes hingen de speeltjes en nu konden we eindelijk zien hoe ze erop reageerden. Voor enkelen van ons was de teleurstelling groot: sommige aapjes liet het koud, anderen stonden zelfs doodsangsten uit. Nochtans was het project verre van een fiasco. De kuifbavianen hebben veel plezier gehad aan hun speeltje, ook al was het meteen stuk, en ook bij de uilenkopmeerkatten en goudkopleeuwaapjes was het een succesverhaal.” Volgens de verzorgers was het zeer zeker ook een geslaagd project, aangezien de tijd om de speeltjes voor de apen te maken véél korter was dan de tijd die zij er zelf vaak aan besteden.

Jeroen Stevens

dinsdag 25 november 2008

Mensapen met mieren

In Centraal Afrika delen westelijke laaglandgorilla’s en chimpansees vaak dezelfde gebieden en hebben nagenoeg hetzelfde dieet. Om niet in elkaars vaarwater te zitten eten ze verschillende planten op verschillende momenten. Hoewel insecten een klein deel van hun menu uitmaken lijkt er daar ook sprake te zijn van verschillende strategieën. Op 22 april verdedigde Isra Deblauwe van het CRC haar proefschrift op de Universiteit Antwerpen. Dit is de allereerste studie waarbij het insectendieet van gorilla’s en chimpansees werd vergeleken en waarbij rekening gehouden werd met zowel de voedingswaarde van mieren en termieten als met ecologische omstandigheden in het woud.

Uit de studie bleek dat chimpansees en gorilla’s vooral termieten en mieren eten met erg zichtbare nesten of hoge activiteit, maar niet die soorten welke in de grootste aantallen aanwezig zijn. Om het insectendieet van beide mensapen in detail te bestuderen verzamelde en onderzocht Isra en haar medewerkers grote hoeveelheden mest van chimpansees en gorilla’s in het regenwoud van Zuidoost Kameroen. Uit die mest bepaalde ze aan de hand van de achtergebleven huidskeletjes welke insectensoorten de apen aten. Het studiegebied bleek uitzonderlijk veel soorten termieten en mieren te hebben, waarschijnlijk veroorzaakt door de variatie in woudtypes in het studiegebied.

De studie toont onder andere duidelijk aan dat chimpansees andere termieten en mieren eten dan gorilla’s. Die verschillen komen niet alleen doordat chimpansees werktuigen gebruiken en gorilla’s niet, maar vooral door de verschillen in noden en in de voedingswaarde van de insecten. Chimpansees eten bijvoorbeeld voornamelijk termieten wanneer er minder vruchten beschikbaar zijn. Deze termieten blijken veel energie te leveren die chimpansees normaal uit de vruchten halen. Gorilla’s eten echter termieten het hele jaar door en ze lijken dat voornamelijk te doen omdat ze daarmee waardevolle extra voedingstoffen binnen krijgen.

Behalve de wetenschappelijke kennis over het voedingsgedrag en het eten van insecten door mensapen, kunnen de resultaten van deze studie gebruikt worden in natuurbescherming. Alleen al het resultaat dat er naast chimpansees en gorilla’s zo bijzonder veel insectensoorten (en waarschijnlijk ook andere diersoorten) voorkomen, maakt het al de moeite waard om dit stukje Afrika te beschermen. Meer specifiek voor de zoogemeenschap kunnen deze resultaten belangrijke informatie opleveren voor de dieten van mensapen in dierentuinen.

Isra Deblauwe | Zjef Pereboom | CRC

Deblauwe I., De Koninck W. (2007) Diversity and distribution of ground-dwelling ants in a lowland rainforest in southeast Cameroon. Insectes Sociaux 54: 334-342 doi: 10.1007/s00040-007-0951-8

Deblauwe I., Dekoninck W. (2007) Spatio-temporal patterns of the ground-dwelling ant assemblages in a lowland rainforest in southeast Cameroon. Insectes Sociaux 54: 343-350 doi: 10.1007/s00040-007-0952-7

Deblauwe I, Janssens GP (2008) New insights in insect prey choice by chimpanzees and gorillas in southeast Cameroon: the role of nutritional value. Am J Phys Anthropol.: 135(1):42-55.

Deblauwe, Isra, Luc Dibog, Alain D. Missoup, Jef Dupain, Linda Van Elsacker, Wouter Dekoninck, Dries Bonte and Frederik Hendrickx (2008) Spatial scales affecting termite diversity in lowland rainforest: a case study in southeast Cameroon. Afr. J. Ecol. 46: 5-18

Deblauwe Isra (2008). Temporal variation in insect-eating by chimpanzees and gorillas in southeast Cameroon: extension of niche differentiation. International Journal of Primatology 46: 5-18