Voor het eerst kunnen we met succes amfibieën kweken uit bevoren zaadcellen, dankzij een verbeterde techniek om sperma te verzamelen en te cryopreserveren (het bewaren van levensvatbare lichaamscellen bij temperaturen onder min-200° celsius). Een nauwkeurig samengestelde cocktail van amfibiesperma kan zelfs na een lange periode in de diepvries nog voor gezonde nakomelingen zorgen. Dit alles dankzij een “vruchtbare” samenwerking tussen dr Robert Browne, wetenschapper van het Centre for Research and Conservation (CRC), de wetenschapscel van ZOO Antwerpen, en het Russische Institute of Cell Biophysics onder leiding van professor Edith Gakhova. Deze lente, tijdens de broedperiode van de bruine kikker (Rana temporario), werkte Robert Browne samen met zijn Russische collega’s om het nieuwe protocol voor cryopreservatie te ontwikkelen en te testen.
De onderzoekers werkten aan een eenvoudige methode om sperma te verzamelen door het injecteren van hormonen. Daarnaast ontwikkelden ze een nieuwe cocktail van sperma en chemische stoffen, de zogenaamde cryobeschermers, en verfijnden de techniek van invriezen en ontdooien van zaadcellen. Met een fantastisch resultaat: levend sperma met een hoog vruchtbaarheidsgehalte (zelfs na meerdere maanden bij min-200 graden) én succesvolle ontwikkeling van de dikkopjes. De weg is nu geëffend voor de oogst en cryopreservatie van spermacellen van verschillende bedreigde amfibieën, zowel in de natuur als in dierentuinen. De aanleg van een heuse spermabank voor amfibieën kan nu starten, en met dit protocol zijn we ervan verzekerd dat we het ingevroren vruchtbare materiaal kunnen ontdooien wanneer het nodig is.
Meer dan tweehonderd amfibiesoorten zijn er inmiddels al verdwenen van de aarde. Een amfibiespermabank voor kweekprogramma’s zou zeker verschillende soorten van de onderhang hebben kunnen redden. Kweekprogramma’s alleen zijn niet voldoende om de diertjes te redden, omdat we onmogelijk van alle soorten genoeg dieren veilig kunnen stellen in dierentuinen. Met deze nieuwe techniek kunnen we het aantal amfibieen dat we in dierentuinen zouden moeten kweken fel verminderen.
Russische onderzoekers hebben in 1996 de eerste kikkervisjes met diepgevroren sperma van gestorven amfibieën ontwikkeld. Maar tot nu toe bleef grootste probleem het afnemen van gezond sperma bij levende amfibieën zonder nadelige bijeffecten, en het invriezen en gebruik van sperma om nakomelingen te kweken. Nu, bijna 15 jaar later, is het dan eindelijk gelukt om een vruchtbare cocktail te ontwikkelen om uit het bevroren materiaal nieuw leven voort te brengen. Hoop voor alle bedreigde amfibieën.
Robert Browne, Zjef Pereboom - CRC/KMDA
Posts tonen met het label kweekprogramma's. Alle posts tonen
Posts tonen met het label kweekprogramma's. Alle posts tonen
woensdag 15 december 2010
zondag 6 juni 2010
Ruik ik nie lekker, ofwa?
Monniksgieren-ouders die elkaar leuk vinden zijn betere ouders dan monniksgieren uit een gedwongen huwelijk. Dat zijn de eerste voorlopige conclusies van gedragsonderzoek in Planckendael en enkele ander dierentuinen naar partnerkeuze en paarbinding bij deze vogelsoort.
Het CRC doet al enkele jaren wetenschappelijk onderzoek om uit te vogelen waarom sommige gierenparen wel en andere weer geen jonge monniksgiertjes maken. In 2005 en 2006 hebben we samen met Marleen Huyghe, de coördinator van het kweekprogramma, een enquête opgezet onder de Europese dierentuinen of te bekijken of de manier waarop monniksgieren gehouden worden een positief of negatief effect heeft op hun broedsucces. Dat bleek geen grote invloed te hebben, maar op grond van de resultaten werd toen verondersteld dat een goede paarbinding (dus of het “klikt” tussen twee dieren) waarschijnlijk heel belangrijk is voor broedsucces.
Drie studenten gingen daarom in 2007 en 2008 op pad om in Planckendael en Nederlandse en Duitse dierentuinen onderzoek te doen naar gedragingen die kunnen wijzen op een goede verstandhouding. De resultaten tot zover laten zien dat gierenpaartjes die succesvol jongen grootbrengen gedragingen vertonen die er inderdaad op wijzen dat de dieren die elkaar leuk vinden ook succesvollere ouders zijn; ze groeten elkaar meer, ze vertonen minder agressie, ze hebben meer paringen en paren vroeger in het broedseizoen, en beide hebben een gelijke broedactiviteit in het nest als er een ei is. We willen deze gedragingen nu gebruiken als indicator voor een goede paarbinding, en kunnen misschien hiermee mogelijk voorspellen of nieuw gevormde paartjes succesvolle broedparen kunnen worden.
We maken in Planckendael al gebruik hiervan door voor jonge monniksgieren uit Europese dierentuinen als "huwelijksbureau" op te treden en zo gedwongen huwelijken te voorkomen. In de grote volière zetten we meerdere jonge vogels bijeen en hopen dat er zich op die manier spontane koppels zullen vormen, en zo de kans op voortplanting te vergroten.
Maar we gaan nóg verder. In 2009 begon de Duitse doctoraatstudente Katja Wolfram bij het CRC aan een studie om te kijken op grond waarvan gieren hun partner dan kiezen. We gaan in deze studie uit van een gangbare theorie in de biologie dat dieren een partner kiezen op grond van verschillen in hun DNA. We weten bijvoorbeeld dat mensen (en nog een aantal andere diersoorten) een voorkeur hebben voor een partner met een immuunsysteem dat anders is dan hun eigen immuunsysteem. Op die manier krijgen hun kinderen een immuniteit tegen ziektes die zo groot mogelijk is (een combinatie van die van beide ouders dus). Die kleine verschillen tussen dieren zijn af te lezen in een stukje van hun DNA dat we het “Major Histocompatibility Complex” of MHC noemen, en dit soort onderzoek kunnen wij zelf in ons labo in de Zoo doen. Monniksgieren kunnen dat natuurlijk niet, maar wetenschappers vermoeden dat zij kunnen ruiken of hun potentiële partner een genetisch goede of minder goede keuze is; bij mensen en muizen is dat bijvoorbeeld al vastgesteld.
Kortom, bij de monniksgieren in het Europese kweekprogramma én bij dieren uit de natuur willen we dus onderzoeken of de partners van succesvolle paartjes inderdaad meer verschillend DNA hebben, en of paartjes die elkaar “niet zo leuk vinden” juist meer vergelijkbaar DNA hebben. Op die manier zouden we in de toekomst op grond van DNA onderzoek kunnen voorspellen welke dieren een grotere kans hebben om succesvol te broeden en welke niet.
Zjef Pereboom - CRC
Het CRC doet al enkele jaren wetenschappelijk onderzoek om uit te vogelen waarom sommige gierenparen wel en andere weer geen jonge monniksgiertjes maken. In 2005 en 2006 hebben we samen met Marleen Huyghe, de coördinator van het kweekprogramma, een enquête opgezet onder de Europese dierentuinen of te bekijken of de manier waarop monniksgieren gehouden worden een positief of negatief effect heeft op hun broedsucces. Dat bleek geen grote invloed te hebben, maar op grond van de resultaten werd toen verondersteld dat een goede paarbinding (dus of het “klikt” tussen twee dieren) waarschijnlijk heel belangrijk is voor broedsucces.
Drie studenten gingen daarom in 2007 en 2008 op pad om in Planckendael en Nederlandse en Duitse dierentuinen onderzoek te doen naar gedragingen die kunnen wijzen op een goede verstandhouding. De resultaten tot zover laten zien dat gierenpaartjes die succesvol jongen grootbrengen gedragingen vertonen die er inderdaad op wijzen dat de dieren die elkaar leuk vinden ook succesvollere ouders zijn; ze groeten elkaar meer, ze vertonen minder agressie, ze hebben meer paringen en paren vroeger in het broedseizoen, en beide hebben een gelijke broedactiviteit in het nest als er een ei is. We willen deze gedragingen nu gebruiken als indicator voor een goede paarbinding, en kunnen misschien hiermee mogelijk voorspellen of nieuw gevormde paartjes succesvolle broedparen kunnen worden.
We maken in Planckendael al gebruik hiervan door voor jonge monniksgieren uit Europese dierentuinen als "huwelijksbureau" op te treden en zo gedwongen huwelijken te voorkomen. In de grote volière zetten we meerdere jonge vogels bijeen en hopen dat er zich op die manier spontane koppels zullen vormen, en zo de kans op voortplanting te vergroten.
Maar we gaan nóg verder. In 2009 begon de Duitse doctoraatstudente Katja Wolfram bij het CRC aan een studie om te kijken op grond waarvan gieren hun partner dan kiezen. We gaan in deze studie uit van een gangbare theorie in de biologie dat dieren een partner kiezen op grond van verschillen in hun DNA. We weten bijvoorbeeld dat mensen (en nog een aantal andere diersoorten) een voorkeur hebben voor een partner met een immuunsysteem dat anders is dan hun eigen immuunsysteem. Op die manier krijgen hun kinderen een immuniteit tegen ziektes die zo groot mogelijk is (een combinatie van die van beide ouders dus). Die kleine verschillen tussen dieren zijn af te lezen in een stukje van hun DNA dat we het “Major Histocompatibility Complex” of MHC noemen, en dit soort onderzoek kunnen wij zelf in ons labo in de Zoo doen. Monniksgieren kunnen dat natuurlijk niet, maar wetenschappers vermoeden dat zij kunnen ruiken of hun potentiële partner een genetisch goede of minder goede keuze is; bij mensen en muizen is dat bijvoorbeeld al vastgesteld.
Kortom, bij de monniksgieren in het Europese kweekprogramma én bij dieren uit de natuur willen we dus onderzoeken of de partners van succesvolle paartjes inderdaad meer verschillend DNA hebben, en of paartjes die elkaar “niet zo leuk vinden” juist meer vergelijkbaar DNA hebben. Op die manier zouden we in de toekomst op grond van DNA onderzoek kunnen voorspellen welke dieren een grotere kans hebben om succesvol te broeden en welke niet.
Zjef Pereboom - CRC
dinsdag 6 oktober 2009
Gierende hormonen
De juiste partner vinden is niet enkel voor mensen ingewikkeld. Bij de monniksgier (Aegypius monachus), een bedreigde gierensoort waarvan de wilde populatie in Zuid Europa sterk is afgenomen, is een goede paarvorming al even moeilijk. Monniksgieren zijn enorme vogels, de grootste in Europa. Ze leven ook lang en wanneer een paar is gevormd, blijft het meestal bij elkaar “tot de dood hen scheidt”. Deze vogels leggen vaak niet meer dan één ei per seizoen en het jong wordt gevoed door beide ouders tot het, na ongeveer acht maanden, volwassen en onafhankelijk wordt.
In de natuur zijn ze erg succesvol bij de voortplanting. Driekwart van de gelegde eieren ontwikkelt tot volwassen vogels. Maar de kweekresultaten in zoos zijn verrassend laag, met een succes van slechts één op de vier eieren. De belangrijkste oorzaak daarvan is dat de meeste eieren die in zoos gelegd worden door monniksgieren niet bevrucht zijn en dat nog een aantal eieren accidenteel breekt tijdens het uitbroeden. Dat is natuurlijk erg jammer, ook gezien de enorme moeite die in heel Europa in het kweekprogramma wordt gestoken. Ongeveer 20 jaar geleden is er immers een internationaal kweekprogramma (‘European Endangered Species Programme’ of ‘EEP’) voor deze soort opgestart, gecoördineerd vanuit Dierenpark Planckendael in Mechelen. Een van de doelstellingen van dit programma is jonge vogels ook te herintroduceren in Zuid Europa. Deze vrijgelaten vogels doen het goed: Jean en Julia, twee monniksgieren geboren in Planckendael in mei 2008 en gelost in Zuid-Frankrijk in augustus 2008, zijn daar het levende bewijs van. De slechte kweekresultaten in Europese zoos in het algemeen werpen echter een schaduw over het herintroductieproject.
Binnen het CRC proberen we daar nu iets aan te doen door de genetische achtergrond van paarvorming bij monniksgieren te onderzoeken. Als we, zoals bij andere diersoorten reeds aangetoond, kunnen achterhalen en voorspellen welke genetische kenmerken belangrijk zijn voor een goede paarvorming, dan kunnen we die informatie gebruiken om meer compatibele koppels te vormen in dierentuinen. Een sterke paarbinding zal dan hopelijk leiden tot een hoger kweeksucces in deze monogame soort, zodat ook meer jongen beschikbaar zijn om uit te zetten in hun natuurlijke habitat.
lees meer >>
Katja Wolfram, Jill Shephard (CRC)
maandag 5 oktober 2009
Het zit 'm in de genen
Behoud van biodiversiteit is één van de kerntaken van de KMDA. Biodiversiteit omvat niet enkel de verscheidenheid van ecosystemen en soorten maar ook van het DNA binnen elke soort, de genetische diversiteit. Net zoals bij mensen, bestaan er immers genetische verschillen tussen individuen. Deze verscheidenheid is cruciaal voor het voortbestaan van soorten, omdat dit mogelijkheden biedt om zich aan te passen aan nieuwe omstandigheden (zie ook “In Den Beginne” van 12 februari).
Een conservatiegeneticus legt zich toe op het opvolgen en beheren van deze genetische diversiteit zowel in kweekprogramma’s in zoos (ex-situ) als bij de bescherming van wilde populaties (in-situ), en probeert zoveel mogelijk van die diversiteit te behouden. Wetenschappelijk onderzoek zoals wij dat in onze projecten uitvoeren is van groot belang voor het behoud van genetische diversiteit, en de link tussen ex-situ en in-situ is essentieel om dat goed te kunnen doen. De volgende voorbeelden laten zien dat nauwe samenwerking tussen onze wetenschappers in de Zoo en natuurbeschermers “in het veld” grote voordelen heeft.
Van de meeste kweekprogramma’s worden stamboeken bijgehouden, lijsten met zo veel mogelijk informatie van de dieren in zo’n kweekpopulatie. Wanneer stamboekdata onvolledig zijn, bijvoorbeeld wanneer we de vaders van een aantal dieren niet kennen, kan DNA-onderzoek het beheer van de kweekpopulaties ondersteunen. Zo wordt het DNA van goudkopleeuwaapjes (Leontopithecus chrysomelas) en babirusa (Babyrousa babyrussa) in ons laboratorium in de Zoo geanalyseerd om de onderlinge verwantschap van de dieren te bepalen. Door de genetische kenmerken te vergelijken met gegevens uit het veld, kunnen we bovendien de herkomst en relatieve verscheidenheid van de stamouders achterhalen, de dieren waarmee de kweekpopulatie ooit is gestart. Daartoe werken we samen met onderzoekers in Brazilië en Indonesië. Bovendien laat dit ons toe om de genetische diversiteit en populatiestructuur in het wild te bestuderen, en zo meer te leren over de nog levende aantallen (heel belangrijk bij bedreigde soorten), hun verspreiding en hun voortplantingsysteem. Die informatie is niet louter van wetenschappelijk belang, maar kan bovenal gebruikt worden door natuurbeschermers bij het ontwikkelen en verfijnen van actieplannen voor conservatie van wilde populaties.
Genetisch onderzoek bij zoodieren kan ook op andere manieren een belangrijke bijdrage leveren aan de bescherming van soorten. In het geval van het Kaapse zeepaardje (Hippocampus capensis), de ooievaar (Ciconia ciconia), de Maleise tapir (Tapir indicus), de monniksgier (Aegypius monachus) en de Andesbeer (Tremarctos ornatus), zijn de technieken en genetische merkers die in ons labo werden ontwikkeld aan de hand van stalen uit de Zoo, ook te gebruiken voor onderzoek van stalen uit het wild. Hiertoe werken KMDA-genetici nauw samen met lokale onderzoekers en natuurbeschermers. Anderzijds is het soms erg moeilijk om genetisch onderzoek in dierentuinen uit te voeren zonder een sterke inbreng vanuit het veld. Bij het onderzoek om onderscheid te kunnen maken tussen verschillende ondersoorten van soldatenara’s (Ara militaris) in het kweekprogramma zijn we aangewezen op referentiestalen uit het wild. Deze informatie is belangrijk om kunstmatige vermenging tussen ondersoorten te vermijden. Het zit 'm dus écht in de genen!
dinsdag 5 mei 2009
Vreemdgaan loont....
…. maar vrouwen hebben het voor het zeggen.
In de tropische serre in Azië in Planckendael houden we twee soorten gibbons. Net als in de meeste dierentuinen worden gibbons bijna altijd in paartjes gehouden, met soms één of enkele van hun jongen. We proberen hiermee de natuurlijke groepssamenstelling na te bootsen: één volwassen mannetje, één volwassen vrouwtje en, al dan niet hun nakomelingen. Mannetjes en vrouwtjes komen hun grote liefde tegen wanneer ze uit het oudergezin vertrekken en in hun eentje rondzwerven. Vaak vormt zich dan een langdurige paarband, en het koppel vormt dan een gezamenlijk territorium. Het ideaal van “Liefde op het eerste gezicht” en “Trouw tot in de dood”. Maar recent onderzoek lijkt er toch op te wijzen dat gibbons het niet zo nauw nemen met de ‘eeuwige echtelijke trouw’.
De meeste primatensoorten vormen sociale groepen van meerdere vrouwen, onder andere omdat ze dan 1) voedselbronnen kunnen verdedigen tegen andere primaten, 2) in groepen een kleinere kans hebben gepakt te worden door een roofdier (“meer ogen zien meer”). Mannen verbinden zich aan zulke groepen opdat ze kunnen paren met de vrouwen in de groep, met als bijkomend voordeel dat ze de vrouwen en jongen kunnen beschermen.
Doordat gibbons vrij gespecialiseerd zijn in hun voedingsgewoonten (rijp fruit), en de verdeling van rijp fruit nogal verspreid is, kunnen vrouwen het zich niet veroorloven om - zoals bij veel primaten wel het geval is - in sociale groepen van meerdere vrouwen te leven, omdat er dan te veel voedselconcurrentie zou optreden. De ander verklaring waarom de meeste primaten in grote groepen zouden leven - namelijk predatievermijding - gaat ook niet op voor gibbons omdat de voordelen van het vermijden van roofdieren niet opweegt tegen de nadelen van het concurreren om voedsel.
Traditioneel worden gibbons gezien als monogame dieren die hun hele leven bij elkaar blijven, en enkel met hun eigen partner paren. Het sociale systeem van gibbons is echter veel flexibeler dan altijd gedacht werd. Sinds een jaar of 10 verschijnen er publicaties waarin gesteld wordt dat gibbons het niet zo nauw nemen met de ‘eeuwige echtelijke trouw’. Langdurige studies (in withandgibbons en siamangs) hebben uitgewezen dat die paartjes niet noodzakelijk levenslang bij elkaar zijn. Volwassen mannetjes verlaten hun partner soms tijdelijk om met andere vrouwtjes te paren. Soms kan het vertrek permanent zijn en er een nieuwe paarband ontstaan, bijvoorbeeld wanneer een vrouwtje in het naburige territorium haar mannelijke partner heeft verloren (ofwel door dood ofwel omdat die man ook vertrokken is). Mannetjes kunnen ook een territorium én een vrouwtje verwerven door binnen te dringen in een naburig territorium en geleidelijk aan het oude mannetje weg te jagen. In die periode kan het vrouwtje zelf met beide mannen paren.
Men veronderstelt dat gibbonmannen en -vrouwen ‘vreemd gaan’, of een geheel nieuwe paarband aangaan om te kunnen paren met een partner van een hogere kwaliteit. Voor mannen loont het bovendien om met meerdere vrouwen te paren omdat hun dat ook meerdere nakomelingen kan opleveren in een korte tijd (de eerste paar jaren na een zwangerschap is een vrouw namelijk niet receptief). Voor vrouwen is het zinvol met meerdere mannen te paren vanuit het perspectief van infanticidevermijding.
Infanticide komt inderdaad niet of nauwelijks voor bij gibbons, wat er op zou kunnen wijzen dat vrouwen door hun promiscuïteit effectief infanticide kunnen voorkomen. Een andere aanwijzing dat er sprake is van effectieve vaderschapsverwarring is dat mannen - of ze nou wel of niet de vader zijn - op een ‘vaderlijke’ manier met de jongen omgaan. Het feit dat vaders niet weten of een jong nou wel of niet zijn éigen jong is, kan ook verklaren waarom mannen soms niet terugkeren naar hun vrouw, zelfs als hij haar nieuwe partner kunnen zien of horen. Hun jongen worden toch wel verzorgd door die andere man. En zo blijkt dat - ook al gaan de mannen hun boekje te buiten - het uiteindelijk toch de vrouwen zijn die aan het langste eind trekken.
Zjef Pereboom
In de tropische serre in Azië in Planckendael houden we twee soorten gibbons. Net als in de meeste dierentuinen worden gibbons bijna altijd in paartjes gehouden, met soms één of enkele van hun jongen. We proberen hiermee de natuurlijke groepssamenstelling na te bootsen: één volwassen mannetje, één volwassen vrouwtje en, al dan niet hun nakomelingen. Mannetjes en vrouwtjes komen hun grote liefde tegen wanneer ze uit het oudergezin vertrekken en in hun eentje rondzwerven. Vaak vormt zich dan een langdurige paarband, en het koppel vormt dan een gezamenlijk territorium. Het ideaal van “Liefde op het eerste gezicht” en “Trouw tot in de dood”. Maar recent onderzoek lijkt er toch op te wijzen dat gibbons het niet zo nauw nemen met de ‘eeuwige echtelijke trouw’.
De meeste primatensoorten vormen sociale groepen van meerdere vrouwen, onder andere omdat ze dan 1) voedselbronnen kunnen verdedigen tegen andere primaten, 2) in groepen een kleinere kans hebben gepakt te worden door een roofdier (“meer ogen zien meer”). Mannen verbinden zich aan zulke groepen opdat ze kunnen paren met de vrouwen in de groep, met als bijkomend voordeel dat ze de vrouwen en jongen kunnen beschermen.
Doordat gibbons vrij gespecialiseerd zijn in hun voedingsgewoonten (rijp fruit), en de verdeling van rijp fruit nogal verspreid is, kunnen vrouwen het zich niet veroorloven om - zoals bij veel primaten wel het geval is - in sociale groepen van meerdere vrouwen te leven, omdat er dan te veel voedselconcurrentie zou optreden. De ander verklaring waarom de meeste primaten in grote groepen zouden leven - namelijk predatievermijding - gaat ook niet op voor gibbons omdat de voordelen van het vermijden van roofdieren niet opweegt tegen de nadelen van het concurreren om voedsel.
Traditioneel worden gibbons gezien als monogame dieren die hun hele leven bij elkaar blijven, en enkel met hun eigen partner paren. Het sociale systeem van gibbons is echter veel flexibeler dan altijd gedacht werd. Sinds een jaar of 10 verschijnen er publicaties waarin gesteld wordt dat gibbons het niet zo nauw nemen met de ‘eeuwige echtelijke trouw’. Langdurige studies (in withandgibbons en siamangs) hebben uitgewezen dat die paartjes niet noodzakelijk levenslang bij elkaar zijn. Volwassen mannetjes verlaten hun partner soms tijdelijk om met andere vrouwtjes te paren. Soms kan het vertrek permanent zijn en er een nieuwe paarband ontstaan, bijvoorbeeld wanneer een vrouwtje in het naburige territorium haar mannelijke partner heeft verloren (ofwel door dood ofwel omdat die man ook vertrokken is). Mannetjes kunnen ook een territorium én een vrouwtje verwerven door binnen te dringen in een naburig territorium en geleidelijk aan het oude mannetje weg te jagen. In die periode kan het vrouwtje zelf met beide mannen paren.
Men veronderstelt dat gibbonmannen en -vrouwen ‘vreemd gaan’, of een geheel nieuwe paarband aangaan om te kunnen paren met een partner van een hogere kwaliteit. Voor mannen loont het bovendien om met meerdere vrouwen te paren omdat hun dat ook meerdere nakomelingen kan opleveren in een korte tijd (de eerste paar jaren na een zwangerschap is een vrouw namelijk niet receptief). Voor vrouwen is het zinvol met meerdere mannen te paren vanuit het perspectief van infanticidevermijding.
Wat is infanticide?
Infanticide, ook wel kindermoord genoemd, is het gedrag waarbij een volwassen dier een van moederlijke zorg afhankelijk jong (een infant) van de eigen diersoort doodt. Infanticide komt voor bij een groot aantal diersoorten waaronder muizen, leeuwen, zebra's, en is veel beschreven voor verschillende primatensoorten. De plegers van infanticide zijn doorgaans de mannetjes.
Waarom plegen mannen infanticide?
Vrouwtjes die hun jongen nog zogen zijn meestal onvruchtbaar, omdat de melkvloed de maandelijkse eisprong onderdrukt. Nadat het infant gespeend is, of als de frequentie van zogen vermindert, komt de eisprong doorgaans weer snel op gang. Ditzelfde effect treedt op als een infant vóór het einde van de speentijd overlijdt, en het vrouwtje is dan binnen de kortste keren weer vruchtbaar. Voor een mannetje dat niet de vader is van een jong kan het dus interessant zijn een zogend kind te doden omdat de moeder dan sneller vruchtbaar is, en hij een eigen jong kan verwekken. Bovendien kan een vrouw ook niet langer investeren in de nakomelingen van een andere man.
Wat doen vrouwen hiertegen?
Voor vrouwen is infanticide altijd nadelig, en vrouwtjes hebben bijgevolg verschillende tegenstrategieën ontwikkeld. Eén van de meest succesvol geachte strategieën bij primaten is vaderschapsverwarring. Deze theorie gaat er van uit dat wanneer vrouwen regelmatig met meerdere volwassen mannen paren, deze mannen geen idee hebben wie de vader is van een jong. En als je niet weet of je wél of niét de vader bent loont het dus ook niet om een kind te doden.
Infanticide komt inderdaad niet of nauwelijks voor bij gibbons, wat er op zou kunnen wijzen dat vrouwen door hun promiscuïteit effectief infanticide kunnen voorkomen. Een andere aanwijzing dat er sprake is van effectieve vaderschapsverwarring is dat mannen - of ze nou wel of niet de vader zijn - op een ‘vaderlijke’ manier met de jongen omgaan. Het feit dat vaders niet weten of een jong nou wel of niet zijn éigen jong is, kan ook verklaren waarom mannen soms niet terugkeren naar hun vrouw, zelfs als hij haar nieuwe partner kunnen zien of horen. Hun jongen worden toch wel verzorgd door die andere man. En zo blijkt dat - ook al gaan de mannen hun boekje te buiten - het uiteindelijk toch de vrouwen zijn die aan het langste eind trekken.
Zjef Pereboom
zondag 21 december 2008
Inteelt bij bonobo's
De KMDA is als stamboekhouder en coördinator van het bonobo kweekprogramma verantwoordelijk voor het opvolgen van alle bonobo’s die wereldwijd in dierentuinen leven. Wij geven deze dierentuinen advies over welke dieren al dan niet mogen kweken om onder andere inteelt tussen nauw verwante dieren (vader-dochter of broer-zus) zoveel mogelijk te beperken. Bij veel diersoorten kan inteelt namelijk leiden tot verminderde groei of lagere vruchtbaarheid, en zelfs de kans het eerste levensjaar te overleven sterk verkleinen. Het vermoeden dat Vifijo in Planckendael al twee nakomelingen heeft gekregen met zijn moeder Hortense leidde ertoe dat hij naar een bonobogroep in Berlijn werd gestuurd om inteelt te voorkomen.
Om te onderzoeken of inteelt bij bonobo’s vaak voorkomt en de gevolgen daarvan op grotere schaal te bestuderen, hebben wetenschappers van het CRC verleden jaar een gedetailleerde analyse uitgevoerd van het internationale stamboek. Daarbij werd een techniek gebruikt om op grond van DNA uit haarstalen en bloed vast te stellen wie de vaders van de jonggeboren bonobo’s waren. Op grond van het stamboekonderzoek en de DNA analyses werden er 17 gevallen van inteelt ontdekt bij 142 bonobo’s die sinds 1962 in dierentuinen geboren zijn. Dit had, zoals verwacht, nadelige gevolgen voor die dieren. Het bleek dat deze ingeteelde bonobo’s relatief minder vaak het eerste levensjaar overleefden in vergelijking met nakomelingen van niet verwante bonobo’s. Echter op de lange termijn loopt de overleving van de bonobopopulatie geen enkel gevaar als wij als coördinator van het programma onze taak naar behoren blijven uitvoeren.
Zjef Pereboom
Van Coillie, S, P Galbusera, A Roeder, W Schrempp, J Stevens, K Leus G. Reinartz and J. Pereboom. (2008) Molecular paternity determination in captive bonobos and the impact of inbreeding on infant mortality. Animal Conservation. 11 306–312 doi:10.1111/j.1469-1795.2008.00186.x
Om te onderzoeken of inteelt bij bonobo’s vaak voorkomt en de gevolgen daarvan op grotere schaal te bestuderen, hebben wetenschappers van het CRC verleden jaar een gedetailleerde analyse uitgevoerd van het internationale stamboek. Daarbij werd een techniek gebruikt om op grond van DNA uit haarstalen en bloed vast te stellen wie de vaders van de jonggeboren bonobo’s waren. Op grond van het stamboekonderzoek en de DNA analyses werden er 17 gevallen van inteelt ontdekt bij 142 bonobo’s die sinds 1962 in dierentuinen geboren zijn. Dit had, zoals verwacht, nadelige gevolgen voor die dieren. Het bleek dat deze ingeteelde bonobo’s relatief minder vaak het eerste levensjaar overleefden in vergelijking met nakomelingen van niet verwante bonobo’s. Echter op de lange termijn loopt de overleving van de bonobopopulatie geen enkel gevaar als wij als coördinator van het programma onze taak naar behoren blijven uitvoeren.
Zjef Pereboom
Van Coillie, S, P Galbusera, A Roeder, W Schrempp, J Stevens, K Leus G. Reinartz and J. Pereboom. (2008) Molecular paternity determination in captive bonobos and the impact of inbreeding on infant mortality. Animal Conservation. 11 306–312 doi:10.1111/j.1469-1795.2008.00186.x
woensdag 3 december 2008
Rooms with a view
Sinds enkele maanden wordt er hard gewerkt in de Zoo aan de bouw van nieuwe faciliteiten ‘achter de schermen’ voor het kweken en bestuderen van bedreigde amfibieën. In totaal worden er 4 nieuwe gespecialiseerde kamers ingericht.
De Iraanse kamer is in het bijzonder ingericht voor de huisvesting van reddings- en onderzoekscollecties van salamanders en andere amfibieën van Iran. De amfibieën van de Iraanse hoogvlakte worden sterk bedreigd door de klimaatverandering, welke vooral van invloed is op watersalamanders. In deze ruimte met speciale watertanks en filtersystemen verwachten we broedpopulaties in stand te kunnen houden en studies te doen ter verbetering van de voortplanting en de verzorging van deze dieren.
Grenzend aan de Iraanse kamer is de Afrikaanse kamer met wormsalamanders en andere amfibieën uit Centraal Afrika. Kameroen heeft de hoogste verscheidenheid (biodiversiteit) van amfibieën in Afrika, waaronder de ernstig bedreigde Lake Oku kikker. In de Afrikaanse kamer, zal de KMDA een kweekpopulatie van deze dieren huisvesten samen met broedpopulaties van andere ernstig bedreigde amfibieën uit Centraal Afrika. Door hun zeldzaamheid en onbekendheid vormen wormsalamanders een speciale groep binnen het KMDA reddingsprogramma. Zij bieden ons bovendien een unieke onderzoeksmogelijkheid. Nooit eerder werden hun gedrag en voortplanting uitvoerig bestudeerd. Samenwerking met Nederlandse en Vlaamse universiteiten biedt ons de mogelijkheid nog nooit onderzochte chemische stoffen uit hun huid te onderzoeken.
De speciaal gebouwde kamer voor de algemene collectie is hoofdzakelijk bedoeld om kikkers uit tropisch Amerika te huisvesten. In deze kamer met haar zeer hoge temperatuur en luchtvochtigheid houden we kleine onderzoeksgroepen en kweekpopulaties van bedreigde pijlgifkikkers en andere kleine kikkersoorten. Speciaal voor wetenschappelijk onderzoek naar de ontwikkeling van kikkervisjes is ook er een klein labo voorzien in deze kamer. Ter ondersteuning van de voortplanting bevat de kamer vier regentanks die worden gebruikt voor nabootsen van regenbuien voor het stimuleren van de voortplanting.
De vierde kamer zal worden gebruikt voor korte-termijn studies zoals de rol van ultraviolette straling op de ontwikkeling van kikkervisjes, of voor het verbeteren van de verzorging en voortplanting van amfibieën.
Met deze waaier van uiteenlopende en gespecialiseerde kamers heeft de KMDA de mogelijkheid te voorzien in een breed scala van belangrijke kweek- en reddingsprogramma's voor amfibieën, zowel op wetenschappelijk gebied als voor de actieve bescherming van amfibieën en hun natuurlijke leefomgeving.
Robert Browne | Zjef Pereboom | CRC
De Iraanse kamer is in het bijzonder ingericht voor de huisvesting van reddings- en onderzoekscollecties van salamanders en andere amfibieën van Iran. De amfibieën van de Iraanse hoogvlakte worden sterk bedreigd door de klimaatverandering, welke vooral van invloed is op watersalamanders. In deze ruimte met speciale watertanks en filtersystemen verwachten we broedpopulaties in stand te kunnen houden en studies te doen ter verbetering van de voortplanting en de verzorging van deze dieren.
Grenzend aan de Iraanse kamer is de Afrikaanse kamer met wormsalamanders en andere amfibieën uit Centraal Afrika. Kameroen heeft de hoogste verscheidenheid (biodiversiteit) van amfibieën in Afrika, waaronder de ernstig bedreigde Lake Oku kikker. In de Afrikaanse kamer, zal de KMDA een kweekpopulatie van deze dieren huisvesten samen met broedpopulaties van andere ernstig bedreigde amfibieën uit Centraal Afrika. Door hun zeldzaamheid en onbekendheid vormen wormsalamanders een speciale groep binnen het KMDA reddingsprogramma. Zij bieden ons bovendien een unieke onderzoeksmogelijkheid. Nooit eerder werden hun gedrag en voortplanting uitvoerig bestudeerd. Samenwerking met Nederlandse en Vlaamse universiteiten biedt ons de mogelijkheid nog nooit onderzochte chemische stoffen uit hun huid te onderzoeken.
De speciaal gebouwde kamer voor de algemene collectie is hoofdzakelijk bedoeld om kikkers uit tropisch Amerika te huisvesten. In deze kamer met haar zeer hoge temperatuur en luchtvochtigheid houden we kleine onderzoeksgroepen en kweekpopulaties van bedreigde pijlgifkikkers en andere kleine kikkersoorten. Speciaal voor wetenschappelijk onderzoek naar de ontwikkeling van kikkervisjes is ook er een klein labo voorzien in deze kamer. Ter ondersteuning van de voortplanting bevat de kamer vier regentanks die worden gebruikt voor nabootsen van regenbuien voor het stimuleren van de voortplanting.
De vierde kamer zal worden gebruikt voor korte-termijn studies zoals de rol van ultraviolette straling op de ontwikkeling van kikkervisjes, of voor het verbeteren van de verzorging en voortplanting van amfibieën.
Met deze waaier van uiteenlopende en gespecialiseerde kamers heeft de KMDA de mogelijkheid te voorzien in een breed scala van belangrijke kweek- en reddingsprogramma's voor amfibieën, zowel op wetenschappelijk gebied als voor de actieve bescherming van amfibieën en hun natuurlijke leefomgeving.
Robert Browne | Zjef Pereboom | CRC
dinsdag 2 december 2008
Onderzoek en de KMDA
Wetenschappelijk onderzoek is een van de manieren voor de KMDA om bij te dragen aan conservatie. Voor die onderzoeksopdracht heeft de KMDA de beschikking over een eigen volledig toegerust onderzoekscentrum. Het Centre for Research and Conservation (CRC) bestaat uit een team van biologen, veeartsen, laboranten en studenten die zich bezig houden met wetenschappelijk onderzoek dat ten eerste kan helpen dieren op een verantwoorde manier te houden in dierentuinen, en ten tweede een bijdrage kan leveren aan het voortbestaan van een diersoort en hun natuurlijke leefmilieu.
Seks in de hoofdrol
De meest voor de hand liggende studieobjecten zijn natuurlijk diersoorten waar de KMDA al een boontje voor heeft, de dieren waar wij het kweekprogramma van beheren. Maar we werken ook met soorten waarin de KMDA een belangrijke rol speelt omdat we ofwel veel ervaring hebben met de kweek, of omdat we een groot deel van de totale populatie in huis hebben, of indien er een nood is aan onze specifieke expertise. Het meest vermaard zijn natuurlijk de bonobo’s van Planckendael. We onderzoeken daar onder andere hoe bonobo’s hun familieruzies oplossen en hoe zij zich met elkaar verzoenen nadien. Daarnaast wordt er momenteel hard gewerkt aan hoe bonobo’s hun “huishouden” organiseren en wat de rol van partnerkeuze is bij het voortplantingssucces van bonobo’s. Ondanks dat we al veel over bonobo’s geleerd hebben is het weten we nog steeds niet waarom sommige vrouwen een voorkeur voor een bepaald mannetje lijken te hebben. Dit zijn vragen die voor het kweekprogramma van bijzondere waarde zijn, en dit soort studies een voorbeeld voor andere kweekprogramma’s. Zo heeft het onderzoek naar het belang van partnerkeuze zich ook uitgebreid naar de monniksgieren. Het door de KMDA gecoördineerde kweekprogramma fungeert als bron voor herintroductieprojecten van monniksgieren in Frankrijk en Spanje, maar het huidige teleurstellende kweeksucces is een serieus gevaar voor het slagen van het volledige conservatieproject voor de soort. Uit ons onderzoek blijkt onder andere dat de tegenvallende kweekresultaten mogelijk veroorzaakt worden doordat wij niet weten hoe de dieren best te koppelen. Monnikgieren hebben immers een levenslange paarband, en nemen niet de eerste de beste als lief.
Stappen is soms een probleem
Binnen de KMDA wordt in de eerste plaats ook geprofiteerd van de beschikbaarheid van een unieke collectie dieren om experimentele gegevens aan te reiken in de discussies rond de evolutionaire oorsprong van het rechtop lopen bij onze verre voorouders. Ook hier spelen de bonobo’s en ook de gibbons een glansrol. De problemen die zij ondervinden bij het stappen kunnen ons inzicht verschaffen in onze eigen geschiedenis op twee benen. Daarnaast worden nieuwe technieken ontwikkeld en gebruikt die worden ingezet op bewegings-problematieken van meer praktische aard die specifiek zijn voor de zoo-wereld. Zo wordt gewerkt aan onderzoek naar de relatie tussen de aard van de bodem in een verblijf en hoef- en gewrichtsproblemen bij okapi’s. De onderzoeksmethoden die werden uitgewerkt voor deze studie, alsook de opgeleverde resultaten, zijn van grote waarde voor de huisvesting van hoefdieren in het algemeen.
DNA vul gaten in onze kennis
Het moderne DNA-labo biedt de KMDA een veelvoud aan praktische toepassingen en nieuwe onderzoeksmogelijkheden. Omdat bijvoorbeeld voor sommige vogelsoorten het geslacht moeilijk of niet uitwendig is te onderscheiden, is de genetische geslachtsbepaling cruciaal voor de kweekprogramma’s van allerlei vogelsoorten. Deze bepalingen gebeuren nu routinematig in de labo’s van de KMDA met behulp van DNA analyses. Maar DNA onderzoek is om nog een andere wijze belangrijk. Eén van de belangrijkste doestellingen binnen de kweekprogramma’s is om per diersoort zo veel mogelijk genetische diversiteit te behouden Alleen dan kan een diersoort op een verantwoorde manier gekweekt of behouden worden. Enkele diersoorten hebben om die reden een bevoorrechte positie en hun eigen DNA onderzoeksprojecten.
In het verleden werden op verschillende momenten nakomelingen van wilde hertzwijnen of babiroessa’s uit Indonesische dierentuinen naar Europese dierentuinen verscheept. Omdat we niet weten hoeveel wilde hertzwijnen aan de basis liggen van de kweek, willen we het aantal stamvaders en stammoeders achterhalen met behulp van DNA analyse. Zolang we niet weten hoe nauw de hertzwijnen die nu in dierentuinen leven aan elkaar verwant zijn kunnen we de verdere kweek dus moeilijk sturen. Ook voor het goudkopleeuwaapje bestuderen we de familiale banden tussen de dieren die vroeger vanuit Brazilië ingevoerd werden. Waarschijnlijk waren dat familiegroepjes, bestaande uit vader, moeder en de kinderen, wat tot gevolg heeft dat we mogelijk minder genetische variatie in de huidige dierentuinpopulatie hebben dan gedacht.
Het genetisch karakteriseren van de drie vermoedelijke ondersoorten van de soldatenara (en mogelijke hybriden) zal toelaten de kweek van deze ara’s ‘raszuiver’ te houden. Ten laatste willen we de genetische diversiteit van de kweekpopulatie van Kaapse zeepaardjes verifiëren en opvolgen. Daarvoor vergelijken we stalen van onze kweek met natuurlijke stalen. De eerste resultaten wijzen op een genetisch verarmde Antwerpse populatie.Ook de brilberen worden onder de loep worden genomen binnen een gezamenlijk project met de Universiteit Bolivië, de Universiteit Antwerpen en het 'Andean Bear specialist team' van de wereld conservatie organisatie IUCN. In de Zuidelijke Andes worden meststalen verzameld ism lokale onderzoekers om aldus meer te weten te komen over de verspreiding en populatiestructuur van deze soort.
Daarnaast kunnen we stellen dat het wetenschappelijk onderzoek door onze veeartsen bijdraagt aan de fysieke en mentale gezondheid van al onze dieren. Dit heeft uiteraard ook positieve gevolgen voor de realisatie van de doelstellingen van diverse kweekprogramma’s. Anderzijds proberen we met onze expertise ook een bijdrage te leveren aan het behoud van bedreigde diersoorten in hun natuurlijke leefomgeving. Daartoe is de KMDA momenteel actief in natuurbeschermingsprojecten in Vlaanderen (Natuurreservaat “De Zegge”), Kameroen en Brazilië, waar CRC-wetenschappers actief veldonderzoek doen en een directe invulling geven aan de natuurbehoudsmissie van de KMDA.
Zjef Pereboom
Seks in de hoofdrol
De meest voor de hand liggende studieobjecten zijn natuurlijk diersoorten waar de KMDA al een boontje voor heeft, de dieren waar wij het kweekprogramma van beheren. Maar we werken ook met soorten waarin de KMDA een belangrijke rol speelt omdat we ofwel veel ervaring hebben met de kweek, of omdat we een groot deel van de totale populatie in huis hebben, of indien er een nood is aan onze specifieke expertise. Het meest vermaard zijn natuurlijk de bonobo’s van Planckendael. We onderzoeken daar onder andere hoe bonobo’s hun familieruzies oplossen en hoe zij zich met elkaar verzoenen nadien. Daarnaast wordt er momenteel hard gewerkt aan hoe bonobo’s hun “huishouden” organiseren en wat de rol van partnerkeuze is bij het voortplantingssucces van bonobo’s. Ondanks dat we al veel over bonobo’s geleerd hebben is het weten we nog steeds niet waarom sommige vrouwen een voorkeur voor een bepaald mannetje lijken te hebben. Dit zijn vragen die voor het kweekprogramma van bijzondere waarde zijn, en dit soort studies een voorbeeld voor andere kweekprogramma’s. Zo heeft het onderzoek naar het belang van partnerkeuze zich ook uitgebreid naar de monniksgieren. Het door de KMDA gecoördineerde kweekprogramma fungeert als bron voor herintroductieprojecten van monniksgieren in Frankrijk en Spanje, maar het huidige teleurstellende kweeksucces is een serieus gevaar voor het slagen van het volledige conservatieproject voor de soort. Uit ons onderzoek blijkt onder andere dat de tegenvallende kweekresultaten mogelijk veroorzaakt worden doordat wij niet weten hoe de dieren best te koppelen. Monnikgieren hebben immers een levenslange paarband, en nemen niet de eerste de beste als lief.
Stappen is soms een probleem
Binnen de KMDA wordt in de eerste plaats ook geprofiteerd van de beschikbaarheid van een unieke collectie dieren om experimentele gegevens aan te reiken in de discussies rond de evolutionaire oorsprong van het rechtop lopen bij onze verre voorouders. Ook hier spelen de bonobo’s en ook de gibbons een glansrol. De problemen die zij ondervinden bij het stappen kunnen ons inzicht verschaffen in onze eigen geschiedenis op twee benen. Daarnaast worden nieuwe technieken ontwikkeld en gebruikt die worden ingezet op bewegings-problematieken van meer praktische aard die specifiek zijn voor de zoo-wereld. Zo wordt gewerkt aan onderzoek naar de relatie tussen de aard van de bodem in een verblijf en hoef- en gewrichtsproblemen bij okapi’s. De onderzoeksmethoden die werden uitgewerkt voor deze studie, alsook de opgeleverde resultaten, zijn van grote waarde voor de huisvesting van hoefdieren in het algemeen.
DNA vul gaten in onze kennis
Het moderne DNA-labo biedt de KMDA een veelvoud aan praktische toepassingen en nieuwe onderzoeksmogelijkheden. Omdat bijvoorbeeld voor sommige vogelsoorten het geslacht moeilijk of niet uitwendig is te onderscheiden, is de genetische geslachtsbepaling cruciaal voor de kweekprogramma’s van allerlei vogelsoorten. Deze bepalingen gebeuren nu routinematig in de labo’s van de KMDA met behulp van DNA analyses. Maar DNA onderzoek is om nog een andere wijze belangrijk. Eén van de belangrijkste doestellingen binnen de kweekprogramma’s is om per diersoort zo veel mogelijk genetische diversiteit te behouden Alleen dan kan een diersoort op een verantwoorde manier gekweekt of behouden worden. Enkele diersoorten hebben om die reden een bevoorrechte positie en hun eigen DNA onderzoeksprojecten.
In het verleden werden op verschillende momenten nakomelingen van wilde hertzwijnen of babiroessa’s uit Indonesische dierentuinen naar Europese dierentuinen verscheept. Omdat we niet weten hoeveel wilde hertzwijnen aan de basis liggen van de kweek, willen we het aantal stamvaders en stammoeders achterhalen met behulp van DNA analyse. Zolang we niet weten hoe nauw de hertzwijnen die nu in dierentuinen leven aan elkaar verwant zijn kunnen we de verdere kweek dus moeilijk sturen. Ook voor het goudkopleeuwaapje bestuderen we de familiale banden tussen de dieren die vroeger vanuit Brazilië ingevoerd werden. Waarschijnlijk waren dat familiegroepjes, bestaande uit vader, moeder en de kinderen, wat tot gevolg heeft dat we mogelijk minder genetische variatie in de huidige dierentuinpopulatie hebben dan gedacht.
Het genetisch karakteriseren van de drie vermoedelijke ondersoorten van de soldatenara (en mogelijke hybriden) zal toelaten de kweek van deze ara’s ‘raszuiver’ te houden. Ten laatste willen we de genetische diversiteit van de kweekpopulatie van Kaapse zeepaardjes verifiëren en opvolgen. Daarvoor vergelijken we stalen van onze kweek met natuurlijke stalen. De eerste resultaten wijzen op een genetisch verarmde Antwerpse populatie.Ook de brilberen worden onder de loep worden genomen binnen een gezamenlijk project met de Universiteit Bolivië, de Universiteit Antwerpen en het 'Andean Bear specialist team' van de wereld conservatie organisatie IUCN. In de Zuidelijke Andes worden meststalen verzameld ism lokale onderzoekers om aldus meer te weten te komen over de verspreiding en populatiestructuur van deze soort.
Daarnaast kunnen we stellen dat het wetenschappelijk onderzoek door onze veeartsen bijdraagt aan de fysieke en mentale gezondheid van al onze dieren. Dit heeft uiteraard ook positieve gevolgen voor de realisatie van de doelstellingen van diverse kweekprogramma’s. Anderzijds proberen we met onze expertise ook een bijdrage te leveren aan het behoud van bedreigde diersoorten in hun natuurlijke leefomgeving. Daartoe is de KMDA momenteel actief in natuurbeschermingsprojecten in Vlaanderen (Natuurreservaat “De Zegge”), Kameroen en Brazilië, waar CRC-wetenschappers actief veldonderzoek doen en een directe invulling geven aan de natuurbehoudsmissie van de KMDA.
Zjef Pereboom
Zin en onzin van kweekprogramma’s
Conservatie, of natuurbehoud, omvat alle activiteiten die bijdragen tot het behouden van dieren, planten en de natuur in het algemeen. Dat kan enerzijds door bescherming van dieren en planten in hun natuurlijke leefomgeving en de zorg voor die leefomgeving zelf, anderzijds door bescherming van diersoorten op een andere plaats. Vooral voor dieren die in de natuur bedreigd worden of zijn uitgestorven, worden populaties in dierenparken in stand gehouden met behulp van kweekprogramma’s. Het merendeel van deze programma’s heeft als doel een zich zelf onderhoudende reservepopulatie op te bouwen voor het geval het met de natuurlijke populatie onverhoopt de verkeerde kant op gaat. Je zou het kunnen zien als soort moderne ‘Ark van Noë’. Een verdere doelstelling is om in tussentijd deze dieren te gebruiken als ambassadeurs voor hun soortgenoten in de natuur, voor natuurbeschermingseducatie, fondsenwerving voor conservatieprogramma’s in de natuur en voor wetenschappelijk onderzoek.
Niet enkel voor bedreigde diersoorten
Het is belangrijk duidelijk te stellen dat niet elke diersoort in een dierentuin deel uitmaakt van een kweekprogramma. Kweekprogramma’s zijn er ook niet alleen voor bedreigde diersoorten, en niet elke bedreigde soort wordt per definitie beheerd binnen een kweekprogramma. Ook andere soorten die van groot belang zijn voor dierentuinen, bijvoorbeeld omwille van hun educatieve waarde, en die zonder intensief beheer dreigen te verdwijnen uit de dierentuincollecties kunnen in een kweekprogramma beheerd worden Een andere belangrijke reden is om te voorkomen dat we dezelfde fouten maken als in “de goede oude tijd”, of in dit geval eerder “de slechte oude tijd”. Toen werden heel wat dieren rechtstreeks betrokken uit de natuur of aangekocht bij handelaren of andere dierentuinen. Onnodig te stellen dat deze dierenhandel vandaag de dag om verschillende redenen onaanvaardbaar is. Voor moderne dierentuinen is onderlinge uitwisseling van dieren uit de kweekprogramma’s ‘zonder winstoogmerk’ de norm.
Europese samenwerking en uitwisseling
Uiteraard kan een individuele dierentuin niet zelf een kweekprogramma beginnen. Dierentuinen die samenwerken door dieren te kweken en onderling uit te wisselen, moeten in zekere mate de afzonderlijke collecties op elkaar afstemmen. Indien elke dierentuin andere soorten houdt, is uitwisseling immers nog steeds niet mogelijk. Die afstemming gebeurt in wat men noemt een “regionaal collectieplan”. Dierentuinorganisaties zoals EAZA (European Association of Zoos and Aquaria) spelen hierbij een uiterst belangrijke rol. Die regionale dierentuinorganisaties kan je in zekere zin beschouwen als een soort kwaliteitslabel. Dierentuinen die lid zijn van deze organisaties moeten aan bepaalde kwaliteitsnormen voldoen en verbinden zich ertoe bepaalde gedragscodes na te leven, bijvoorbeeld in verband met samenwerking voor het beheer van de collectie en de kweekprogramma’s.
Beheer van de collecties: ESBs en EEPs
Als onderdeel van een regionaal collectieplan wordt voor elke soort bepaald op welk niveau de populatie van deze soort het best wordt beheerd. Voor de dierentuinen binnen EAZA zijn dat bijvoorbeeld het European Studbook, ofwel het Europese stamboek (ESB), en het European Endangered species Programme (EEP). Voor het ESB wordt een stamboekhouder (een werknemer uit één van de EAZA instituten) aangesteld om van de soort in kwestie alle bekende gegevens te verzamelen van alle dieren, zowel de levende als al hun voorouders. Aan de hand van deze informatie kan een familiestamboom van de soort worden opgesteld, en worden beslissingen genomen voor het beheer van de soort. Deze gegevens worden op regelmatige basis aangevuld en gepubliceerd in een stamboek (zoals men dat ook heeft voor raspaarden, rashonden enz). De KMDA beheert het ESB van de Mexicaanse soldatenara (Ara militaris mexicana) en de Fischer’s toerako (Tauraco fischeri). We spreken van een internationaal stamboek waneer de stamboekhouder gegevens verzameld van alle dieren van één soort wereldwijd.In een EEP, wordt niet alleen een stamboekhouder maar ook een coördinator voor het kweekprogramma aangesteld. Voor de soort wordt dan niet alleen een stamboek bijgehouden, maar er worden ook op regelmatige basis aanbevelingen gedaan met betrekking tot welke individuen al dan niet mogen kweken en in welke combinaties, of naar welke dierentuinen dieren kunnen verhuizen. Vooral diersoorten die van bijzonder belang zijn en waarvoor het noodzakelijk is dat de populatie in een zo goed mogelijke conditie wordt gehouden, zoals bedreigde diersoorten, worden op dit niveau beheerd. De KMDA beheert het EEP van de Europese monniksgier (Aegypius monachus), en het EEP én het internationaal stamboek van de okapi (Okapia johnstoni), de bonobo (Pan paniscus), de Kongopauw (Afropavo congensis) en het goudkopleeuwaapje (Leontopithecus chrysomelas).
Herintroductie niet vanzelfsprekend
Een populair misverstand is dat elk kweekprogramma in het leven wordt geroepen om op relatief korte termijn de soort terug te kunnen uitzetten in de vrije natuur. Niets is minder waar. Het aantal diersoorten waarvoor een kweekprogramma wordt opgesteld met het specifieke doel om door herintroductie de aanwezigheid van die soort te proberen herstellen in een gebied waar ze is uitgestorven, is zelfs érg klein. Toch heeft de KMDA de eer het EEP te coördineren voor één van deze soorten. Vanuit Planckendeal beheren wij immers het kweekprogramma voor de Europese monniksgier. De jongen geboren binnen het EEP worden terug uitgezet in Frankrijk in samenwerking met de Black Vulture Conservation Foundation (BVCF) en La Ligue pour la Protection des Oiseaux (LPO). Voor het merendeel van de kweekprogramma’s is herintroductie echter geen doelstelling, onder meer omdat het zeer langdurige, complexe en kostbare projecten zijn met de nodige risico’s, en vaak weinig kans van slagen. Alleen met buitengewoon veel expertise, overleg, geestkracht en geduld heeft het zin een levensvatbare, vrij-levende populatie terug in de natuur tot stand te brengen.
Kristin Leus | Zjef Pereboom
Niet enkel voor bedreigde diersoorten
Het is belangrijk duidelijk te stellen dat niet elke diersoort in een dierentuin deel uitmaakt van een kweekprogramma. Kweekprogramma’s zijn er ook niet alleen voor bedreigde diersoorten, en niet elke bedreigde soort wordt per definitie beheerd binnen een kweekprogramma. Ook andere soorten die van groot belang zijn voor dierentuinen, bijvoorbeeld omwille van hun educatieve waarde, en die zonder intensief beheer dreigen te verdwijnen uit de dierentuincollecties kunnen in een kweekprogramma beheerd worden Een andere belangrijke reden is om te voorkomen dat we dezelfde fouten maken als in “de goede oude tijd”, of in dit geval eerder “de slechte oude tijd”. Toen werden heel wat dieren rechtstreeks betrokken uit de natuur of aangekocht bij handelaren of andere dierentuinen. Onnodig te stellen dat deze dierenhandel vandaag de dag om verschillende redenen onaanvaardbaar is. Voor moderne dierentuinen is onderlinge uitwisseling van dieren uit de kweekprogramma’s ‘zonder winstoogmerk’ de norm.
Europese samenwerking en uitwisseling
Uiteraard kan een individuele dierentuin niet zelf een kweekprogramma beginnen. Dierentuinen die samenwerken door dieren te kweken en onderling uit te wisselen, moeten in zekere mate de afzonderlijke collecties op elkaar afstemmen. Indien elke dierentuin andere soorten houdt, is uitwisseling immers nog steeds niet mogelijk. Die afstemming gebeurt in wat men noemt een “regionaal collectieplan”. Dierentuinorganisaties zoals EAZA (European Association of Zoos and Aquaria) spelen hierbij een uiterst belangrijke rol. Die regionale dierentuinorganisaties kan je in zekere zin beschouwen als een soort kwaliteitslabel. Dierentuinen die lid zijn van deze organisaties moeten aan bepaalde kwaliteitsnormen voldoen en verbinden zich ertoe bepaalde gedragscodes na te leven, bijvoorbeeld in verband met samenwerking voor het beheer van de collectie en de kweekprogramma’s.
Beheer van de collecties: ESBs en EEPs
Als onderdeel van een regionaal collectieplan wordt voor elke soort bepaald op welk niveau de populatie van deze soort het best wordt beheerd. Voor de dierentuinen binnen EAZA zijn dat bijvoorbeeld het European Studbook, ofwel het Europese stamboek (ESB), en het European Endangered species Programme (EEP). Voor het ESB wordt een stamboekhouder (een werknemer uit één van de EAZA instituten) aangesteld om van de soort in kwestie alle bekende gegevens te verzamelen van alle dieren, zowel de levende als al hun voorouders. Aan de hand van deze informatie kan een familiestamboom van de soort worden opgesteld, en worden beslissingen genomen voor het beheer van de soort. Deze gegevens worden op regelmatige basis aangevuld en gepubliceerd in een stamboek (zoals men dat ook heeft voor raspaarden, rashonden enz). De KMDA beheert het ESB van de Mexicaanse soldatenara (Ara militaris mexicana) en de Fischer’s toerako (Tauraco fischeri). We spreken van een internationaal stamboek waneer de stamboekhouder gegevens verzameld van alle dieren van één soort wereldwijd.In een EEP, wordt niet alleen een stamboekhouder maar ook een coördinator voor het kweekprogramma aangesteld. Voor de soort wordt dan niet alleen een stamboek bijgehouden, maar er worden ook op regelmatige basis aanbevelingen gedaan met betrekking tot welke individuen al dan niet mogen kweken en in welke combinaties, of naar welke dierentuinen dieren kunnen verhuizen. Vooral diersoorten die van bijzonder belang zijn en waarvoor het noodzakelijk is dat de populatie in een zo goed mogelijke conditie wordt gehouden, zoals bedreigde diersoorten, worden op dit niveau beheerd. De KMDA beheert het EEP van de Europese monniksgier (Aegypius monachus), en het EEP én het internationaal stamboek van de okapi (Okapia johnstoni), de bonobo (Pan paniscus), de Kongopauw (Afropavo congensis) en het goudkopleeuwaapje (Leontopithecus chrysomelas).
Herintroductie niet vanzelfsprekend
Een populair misverstand is dat elk kweekprogramma in het leven wordt geroepen om op relatief korte termijn de soort terug te kunnen uitzetten in de vrije natuur. Niets is minder waar. Het aantal diersoorten waarvoor een kweekprogramma wordt opgesteld met het specifieke doel om door herintroductie de aanwezigheid van die soort te proberen herstellen in een gebied waar ze is uitgestorven, is zelfs érg klein. Toch heeft de KMDA de eer het EEP te coördineren voor één van deze soorten. Vanuit Planckendeal beheren wij immers het kweekprogramma voor de Europese monniksgier. De jongen geboren binnen het EEP worden terug uitgezet in Frankrijk in samenwerking met de Black Vulture Conservation Foundation (BVCF) en La Ligue pour la Protection des Oiseaux (LPO). Voor het merendeel van de kweekprogramma’s is herintroductie echter geen doelstelling, onder meer omdat het zeer langdurige, complexe en kostbare projecten zijn met de nodige risico’s, en vaak weinig kans van slagen. Alleen met buitengewoon veel expertise, overleg, geestkracht en geduld heeft het zin een levensvatbare, vrij-levende populatie terug in de natuur tot stand te brengen.
Kristin Leus | Zjef Pereboom
Abonneren op:
Posts (Atom)




