Bonobo's maken voor de uitwisseling van voedsel voor diensten mogelijk gebruik van principes die we kennen uit de economie, zo blijkt uit recent onderzoek in Planckendael Biologen en antropologen zijn erg geïnteresseerd in voedseldelen bij mensapen. We weten namelijk dat mensapen en andere primaten voedsel wederkerig kunnen uitwisselen (“als ik vandaag van jou een appel krijg, krijg jij er later eentje van mij”), maar voedsel kan ook uitgewisseld worden voor een andere pasmunt, bijvoorbeeld vlooien (“als jij mij veel vlooit, dan krijg jij van mij een appel”). Door dit soort “biologische markten” bij apen en andere dieren te bestuderen, hopen we te leren hoe dit gedrag bij mensen is geëvolueerd. Eerder onderzoek in Planckendael, en in de zoo van San Diego, toonde aan dat bonobo’s minder tolerant voedsel delen dan chimpansees. Bonobo’s stelen vaker voedsel van elkaar, geven het minder gemakkelijk weg en delen minder wederkerig dan chimpansees. Het onderzoek dat werd uitgevoerd in 2008 in Planckendael suggereerde dat dit kwam omdat de dominantiehiërarchie bij bonobo’s strikter is dan bij chimpansees.
Na dit onderzoek verhuisde een groot deel van de Planckendaelse bonobo’s naar andere dierentuinen in het kader van het kweekprogramma, en kwamen nieuwe dieren naar Planckendael. Een ideale situatie om in de zomer van 2010 dezelfde studie te hernemen met nieuwe studiedieren. Daarom trok Evelien De Groot, studente biologie aan de Universiteit Antwerpen, gewapend met papieren zakken vol bonobo-voer naar Planckendael. Door het voedsel in de zakken aan te bieden, kon één bonobo het voedsel gemakkelijker monopoliseren, en kon Evelien kijken wie er vervolgens mocht mee-eten. In het tweede deel van de studie kregen de bonobo’s bundels wilgentakken aangeboden. Door in deze twee verschillende contexten voedseldelen te stimuleren, kon er eveneens gekeken worden naar de invloed van het aanbod (zakken voedsel/bundel takken) op het voorkomen van de uitwisseling van voedsel. Takken zijn immers gemakkelijker te verdelen onder de dieren en men verwacht hierbij dus minder competitie en meer wederkerig voedseldelen, dan bij de sterk monopoliseerbare en dus moeilijker te verdelen zakken met voedsel.
Uit de resultaten kwam naar voor dat in tegenstelling tot de eerdere studies, de bonobo’s van de nieuwe groep toleranter waren in voedseldelen, hoewel er een zeer duidelijke en steile hiërarchie was. Voedsel werd niet wederkerig uitgewisseld, maar werd wel geruild voor vlooigedrag en omgekeerd. Dit wijst mogelijk op het bestaan van een biologische uitwisselingsmarkt. Was er voldoende tolerantie (bij minder competitie: de wilgcontext), dan werd er vaker toegestaan om voedsel te nemen. Verder was er een sterke invloed van verwantschap (vooral moeder Lina deelde veel voedsel met haar twee zonen Lucuma en Louisoko). Het grote verschil tussen de resultaten van de huidige en de vorige studie kan te wijten zijn aan de invloed van de groepssamenstelling en de persoonlijkheden van de dieren. Over het belang van persoonlijkheid in sociale relaties, wordt nu verder onderzoek verricht in Planckendael door doctoraatstudente Nicky Staes.
Evelien De Groot / Jeroen Stevens
Posts tonen met het label dominantie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label dominantie. Alle posts tonen
dinsdag 4 oktober 2011
zaterdag 19 maart 2011
Studenten tellen schaapjes
Schapen die onderaan in de sociale rangorde staan hebben niet meer last van parasieten dan dominante dieren in de kudde, in tegensteling tot wat wetenschappers lang verwachtten. Dat blijkt uit een studie van de kudde Soayschapen die al jaren graast op de kweekperken voor Europese otters in Planckendael. Soayschapen zijn een bijzonder robuust schapenras, dat oorspronkelijk afkomstig is van de schotse Soay eilanden.
De voorbije twee zomers onderzochten Ilse Brakel, studente diergeneeskunde aan de Universiteit van Gent, Kristine Stolk, studente biologie aan de Universiteit van Antwerpen en Jitte de Meulder, studente Biowetenschappen aan de Katholieke Hogeschool Kempen in Geel, een stage in Planckendael. De studenten richtten zich op de vraag of dominante ooien een voordeel kunnen halen uit hun hoge positie in de rangorde van de kudde. Dieren investeren immers veel energie in het onderhouden van dominantierelaties, en er zijn risico’s op verwondingen wanneer ze elkaar uitdagen om een hogere rang te verkrijgen. Wetenschappers menen dat daar bepaalde voordelen tegenover zouden kunnen staan. Zo zou het kunnen zijn dat dominante ooien minder last hebben van parasieten dan ooien die onderaan de sociale ladder staan. Daarom trokken de studenten, gewapend met chronometers en verrekijkers naar de soayschapen. Hun eerste opdracht bestond erin de achttien schapen individueel te herkennen. De schapen hebben wel een gekleurd oorlabel, maar zijn voor een geoefend oog ook op basis van uiterlijke kenmerken te herkennen. Daarna werd gedurende enkele weken in al het agressieve gedrag tussen de schapen genoteerd, op grond waarvan een rangorde kon worden bepaald. Als volgende stap verzamelden we meststalen van alle schapen, liefst van elk schaap op meerdere dagen. Het wachten duurde soms lang – maar uiteindelijk werd in 2009 van elk schaap minstens één staal verzameld. In 2010 herhaalden we het experiment, maar namen nu herhaalde stalen per schaap. Onder de microscoop werd dan het aantal wormeneitjes in de mest geteld. Uit de analyses bleek voor beide jaren dat de schapen onderaan de hierarchie inderdaad meer last hadden van wormeneitjes. Maar meer nauwkeurige analyses wezen uit dat de schapen onderaan de hierarchie telkens de jongste lammeren waren van dat jaar. Omdat ze jonger zijn, staan ze onderaan de hierarchie, en blijkbaar hebben zij ook last van meer parasieten. Wanneer we alleen naar de volwassen ooien kijken, bleek er geen éénduidig verband te bestaan tussen rang en parasitaire besmetting.
Jeroen Stevens – Centre for Research and Conservation
De voorbije twee zomers onderzochten Ilse Brakel, studente diergeneeskunde aan de Universiteit van Gent, Kristine Stolk, studente biologie aan de Universiteit van Antwerpen en Jitte de Meulder, studente Biowetenschappen aan de Katholieke Hogeschool Kempen in Geel, een stage in Planckendael. De studenten richtten zich op de vraag of dominante ooien een voordeel kunnen halen uit hun hoge positie in de rangorde van de kudde. Dieren investeren immers veel energie in het onderhouden van dominantierelaties, en er zijn risico’s op verwondingen wanneer ze elkaar uitdagen om een hogere rang te verkrijgen. Wetenschappers menen dat daar bepaalde voordelen tegenover zouden kunnen staan. Zo zou het kunnen zijn dat dominante ooien minder last hebben van parasieten dan ooien die onderaan de sociale ladder staan. Daarom trokken de studenten, gewapend met chronometers en verrekijkers naar de soayschapen. Hun eerste opdracht bestond erin de achttien schapen individueel te herkennen. De schapen hebben wel een gekleurd oorlabel, maar zijn voor een geoefend oog ook op basis van uiterlijke kenmerken te herkennen. Daarna werd gedurende enkele weken in al het agressieve gedrag tussen de schapen genoteerd, op grond waarvan een rangorde kon worden bepaald. Als volgende stap verzamelden we meststalen van alle schapen, liefst van elk schaap op meerdere dagen. Het wachten duurde soms lang – maar uiteindelijk werd in 2009 van elk schaap minstens één staal verzameld. In 2010 herhaalden we het experiment, maar namen nu herhaalde stalen per schaap. Onder de microscoop werd dan het aantal wormeneitjes in de mest geteld. Uit de analyses bleek voor beide jaren dat de schapen onderaan de hierarchie inderdaad meer last hadden van wormeneitjes. Maar meer nauwkeurige analyses wezen uit dat de schapen onderaan de hierarchie telkens de jongste lammeren waren van dat jaar. Omdat ze jonger zijn, staan ze onderaan de hierarchie, en blijkbaar hebben zij ook last van meer parasieten. Wanneer we alleen naar de volwassen ooien kijken, bleek er geen éénduidig verband te bestaan tussen rang en parasitaire besmetting.
Jeroen Stevens – Centre for Research and Conservation
woensdag 14 oktober 2009
Liegen om het hardst
Apen kunnen liegen dat het barst als er voedsel in het spel is, zo bleek uit een recente publicatie. In Planckendael wisten we dat al langer. Ook onze bonobo’s liegen er vrolijk op los.
In het wetenschappelijke tijdschrift Proceedings of the Royal Society B beschrijven de onderzoekers een onderzoek met kapucijnaapjes in Argentinië. Gewoonlijk waarschuwen kapucijnaapjes hun groepsleden bij naderend gevaar met alarmkreten. Maar het onderzoek beschrijft dat kapucijnapen dezelfde alarmkreten misbruiken als ze ergens eten vinden, waarna de anderen hun aandacht op de denkbeeldige vijand richten in plaats van op het voedsel. De onderzoekers deden een experiment waarbij ze stukjes fruit verstopten en observeerden wat er gebeurt als een kapucijnaap het fruit vindt. Daarbij letten ze vooral op wie, wanneer, en hoe vaak er een alarmkreet geslaakt werd, en hoe de groepsleden reageerden.
Het bleek dat dominante dieren - zoals te verwachten - geen bedrog nodig hebben om hun beloning op te eisen. Het dier met de hoogste rang in de groep sloeg zelden of nooit vals alarm; ondergeschikte dieren des te meer. Daarnaast bleek dat er vaker alarmkreten gegeven worden als er méér potentiële concurrenten zijn, of als er meer voedsel werd ontdekt en dus wanneer de beloning hoger is. Een overduidelijke aanwijzing dus dat sommige apen de boel belazeren om een voordeeltje te behalen. Of dit bewuste bedriegerij is valt moeilijk te bewijzen. Immers, de diertjes kunnen dit gedrag ook vertonen omdat ze simpelweg hebben ervaren dat ze met het slaken van alarmkreten meer voedsel bemachtigen.In het wetenschappelijke tijdschrift Proceedings of the Royal Society B beschrijven de onderzoekers een onderzoek met kapucijnaapjes in Argentinië. Gewoonlijk waarschuwen kapucijnaapjes hun groepsleden bij naderend gevaar met alarmkreten. Maar het onderzoek beschrijft dat kapucijnapen dezelfde alarmkreten misbruiken als ze ergens eten vinden, waarna de anderen hun aandacht op de denkbeeldige vijand richten in plaats van op het voedsel. De onderzoekers deden een experiment waarbij ze stukjes fruit verstopten en observeerden wat er gebeurt als een kapucijnaap het fruit vindt. Daarbij letten ze vooral op wie, wanneer, en hoe vaak er een alarmkreet geslaakt werd, en hoe de groepsleden reageerden.
Onze bonobo’s in Planckendael kennen een vergelijkbare truc om hun groepsgenoten te misleiden, zo bleek uit CRC onderzoek door Ellen Van Krunkelsven en Lien Verstraete van enkele jaren geleden. Bonobo’s slaken vaak luide kreten van opwinding wanneer ze voedsel vinden in hun verblijf. Uit observaties bleek het vooral de dominante vrouwtjes waren die hun opwinding lieten blijken als zij als eerste het voedsel ontdekten. Experimenten bevestigden dat mannetjes en ondergeschikte vrouwtjes hun kreten onderdrukken, maar als ze dit in hun opwinding een keertje vergaten, de hooggerangde dieren er als de kippen bijwaren om het voedsel af te pakken. Klaarblijkelijk trekt al dat geroep de aandacht van de anderen, en loopt je zo de kans je kostbare vondst te moeten afstaan aan een dominanter dier. Reden te meer dus om je enthousiasme zoveel mogelijk te beteugelen.
Het onderzoek wees ook uit dat de bonobo’s dit gedrag moeten aanleren en dat de sociale context een grote rol speelt hierbij. Jonge dieren onderdrukken hun opwinding niet, en er werd hen dus vaker voedsel afgepakt. Maar naarmate ze ouder werden gebruikten ze steeds vaker de tactiek om maar gewoon hun mond te houden, en met succes.....
Zjef Pereboom (CRC)
foto: Frans De Waal/PLOS
dinsdag 6 oktober 2009
Op de vlooienmarkt
Vlooigedrag gebeurt niet zomaar: biologen gaan ervan uit dat het gedrag voor de apen kostelijk is: de tijd die een aap besteedt aan het vlooien van een groepsgenoot, kan hij niet besteden aan het zoeken naar voedsel, of aan het zichzelf vlooien. Dus moeten apen keuzes maken: wie zal ik vlooien, en wat krijg ik ervoor terug? Vooral dat laatste houdt biologen die in Planckendael de bonobo’s onderzoeken al een vijftiental jaren bezig. Het blijkt immers dat verschillende soorten primaten bij het vlooien een marktmodel volgen, gebaseerd op de economische wetten van vraag en aanbod. Als er veel partners beschikbaar zijn, stijgt het aanbod, maar ook de vraag. Dergelijke “biologische marktmodellen” zijn hot topic. Uit onderzoek van Hilde Vervaecke en Jeroen Stevens is gebleken dat de bonobo’s ook andere diensten “betalen” met vlooigedrag: wie vaak een andere bonobo vlooit, kan bij ruzies rekenen op de steun van zijn vaste vlooipartner. Daarnaast is vlooien bij bonobo’s vooral wederkerig: “als jij mij vlooit, dan vlooi ik jou”. Wanneer we verschillende bonobogroepen in dierentuinen bekijken, zien we dat deze wederkerigheid samenhangt met de dominantiestijl van de groep: sommige groepen zijn despotisch, met een duidelijke, strikte rangorde en hier wordt minder wederkerig gevlooid. Andere groepen zijn eerder egalitair, alle dieren hebben meer gelijkaardige rangen, en in deze groepen gebeurt vlooien wel voornamelijk wederkerig. Mensengroepen gelden doorgaans als egalitair (toch in vergelijking met sommige apensoorten) en misschien ligt deze egalitaire samenleving dus wel aan de basis van onze neiging om diensten en wederdiensten te bewijzen?
Dit jaar neemt Nikki Staes, Master student aan de Universiteit van Antwerpen, het vlooigedrag van de bonobo’s in Planckendael nog nauwkeuriger onder de loep. Zij kijkt niet alleen naar hoe vaak de bonobo’s elkaar vlooien, maar ook of ze elkaar even lang vlooien. Een vlooisessie bestaat immers uit korte episodes waarbij de vlooipartners geregeld van rol veranderen: eerst vlooit bonobo A zijn groepsgenoot bonobo B voor een tijdje, en direct daarna is het de beurt aan bonobo B. We vragen ons nu af of ze daarbij min of meer bijhouden hoe lang ze gevlooid zijn en hun eigen vlooi investering daaraan aanpassen. Uit onderzoek van bavianen en makaken blijkt alvast dat zij in staat zijn om op die manier de rekening bij te houden. Maar capucijnapen en chimpansees, die als “intelligenter” te boek staan, balanceren nu juist niét op kortere termijn! Dus misschien gaat het niet om intelligentie, maar is ook dit weer terug te voeren op verschillen in dominantiestijl? De onderzoeken van Nikki zullen het hopelijk uitwijzen!
Nikki Staes (Universiteit Antwerpen) & Jeroen Stevens (CRC)
foto: Jeroen Stevens
maandag 22 december 2008
De Baas in huis
In 1913 deed de Noorse onderzoeker Sjelderupp-Ebbe een belangwekkende ontdekking. Hij was als kind al gefascineerd door zijn kleine toom kippen en hield zorgvuldig bij welke kip door wie werd gepikt. Uiteindelijk bleek uit deze aantekeningen dat er een pikorde bestaat – of zoals het later meer algemeen werd genoemd, een dominantiehiërarchie.
Intussen weten we dat dominantiehiërarchieën bij heel veel in groepen levende diersoorten bestaan en dat die soms belangrijke invloed kan hebben op het leven van dieren. Stress en reproductief succes, het kan allemaal afhangen van je plaats in de dominantiehiërarchie. Maar het komt bij het bepalen van zo een hiërarchie niet altijd alleen neer op zorgen dat je pikt en niet gepikt wordt, zoals bij de kippen van Sjelderup-Ebbe. Vooral bij apen en mensapen wordt de hiërarchie beïnvloed door een subtiel en complex netwerk van sociale relaties. Bovendien blijkt dat dominantie niet altijd even sterk uitgesproken is, zelfs bij diersoorten die nauw verwant zijn aan elkaar. We kunnen spreken van “despotische” soorten, waarbij dominantie sterk uitgesproken is, maar er zijn ook “egalitaire soorten” waarbij rangverschillen niet zo erg groot zijn en waar de invloed van dominantie wellicht ook minder sterk is. Tijdens mijn doctoraatsstudie naar mannelijke bonobo’s ontwikkelde ik, samen met Hilde Vervaecke en statisticus Han de Vries van de universiteit van Utrecht, een methode om de dominantiestijl gemakkelijker te kunnen beschrijven. Die methode werkt alvast voor bonobo’s – nu is de vraag of ze ook voor andere diersoorten bruikbaar is. Handig als je onderzoek doet in de dierentuinen van Antwerpen en Planckendael – want daar heb je natuurlijk “proefkonijnen” genoeg.
Jeroen Stevens
Intussen weten we dat dominantiehiërarchieën bij heel veel in groepen levende diersoorten bestaan en dat die soms belangrijke invloed kan hebben op het leven van dieren. Stress en reproductief succes, het kan allemaal afhangen van je plaats in de dominantiehiërarchie. Maar het komt bij het bepalen van zo een hiërarchie niet altijd alleen neer op zorgen dat je pikt en niet gepikt wordt, zoals bij de kippen van Sjelderup-Ebbe. Vooral bij apen en mensapen wordt de hiërarchie beïnvloed door een subtiel en complex netwerk van sociale relaties. Bovendien blijkt dat dominantie niet altijd even sterk uitgesproken is, zelfs bij diersoorten die nauw verwant zijn aan elkaar. We kunnen spreken van “despotische” soorten, waarbij dominantie sterk uitgesproken is, maar er zijn ook “egalitaire soorten” waarbij rangverschillen niet zo erg groot zijn en waar de invloed van dominantie wellicht ook minder sterk is. Tijdens mijn doctoraatsstudie naar mannelijke bonobo’s ontwikkelde ik, samen met Hilde Vervaecke en statisticus Han de Vries van de universiteit van Utrecht, een methode om de dominantiestijl gemakkelijker te kunnen beschrijven. Die methode werkt alvast voor bonobo’s – nu is de vraag of ze ook voor andere diersoorten bruikbaar is. Handig als je onderzoek doet in de dierentuinen van Antwerpen en Planckendael – want daar heb je natuurlijk “proefkonijnen” genoeg.
Jeroen Stevens
Abonneren op:
Posts (Atom)