Schapen die onderaan in de sociale rangorde staan hebben niet meer last van parasieten dan dominante dieren in de kudde, in tegensteling tot wat wetenschappers lang verwachtten. Dat blijkt uit een studie van de kudde Soayschapen die al jaren graast op de kweekperken voor Europese otters in Planckendael. Soayschapen zijn een bijzonder robuust schapenras, dat oorspronkelijk afkomstig is van de schotse Soay eilanden.
De voorbije twee zomers onderzochten Ilse Brakel, studente diergeneeskunde aan de Universiteit van Gent, Kristine Stolk, studente biologie aan de Universiteit van Antwerpen en Jitte de Meulder, studente Biowetenschappen aan de Katholieke Hogeschool Kempen in Geel, een stage in Planckendael. De studenten richtten zich op de vraag of dominante ooien een voordeel kunnen halen uit hun hoge positie in de rangorde van de kudde. Dieren investeren immers veel energie in het onderhouden van dominantierelaties, en er zijn risico’s op verwondingen wanneer ze elkaar uitdagen om een hogere rang te verkrijgen. Wetenschappers menen dat daar bepaalde voordelen tegenover zouden kunnen staan. Zo zou het kunnen zijn dat dominante ooien minder last hebben van parasieten dan ooien die onderaan de sociale ladder staan. Daarom trokken de studenten, gewapend met chronometers en verrekijkers naar de soayschapen. Hun eerste opdracht bestond erin de achttien schapen individueel te herkennen. De schapen hebben wel een gekleurd oorlabel, maar zijn voor een geoefend oog ook op basis van uiterlijke kenmerken te herkennen. Daarna werd gedurende enkele weken in al het agressieve gedrag tussen de schapen genoteerd, op grond waarvan een rangorde kon worden bepaald. Als volgende stap verzamelden we meststalen van alle schapen, liefst van elk schaap op meerdere dagen. Het wachten duurde soms lang – maar uiteindelijk werd in 2009 van elk schaap minstens één staal verzameld. In 2010 herhaalden we het experiment, maar namen nu herhaalde stalen per schaap. Onder de microscoop werd dan het aantal wormeneitjes in de mest geteld. Uit de analyses bleek voor beide jaren dat de schapen onderaan de hierarchie inderdaad meer last hadden van wormeneitjes. Maar meer nauwkeurige analyses wezen uit dat de schapen onderaan de hierarchie telkens de jongste lammeren waren van dat jaar. Omdat ze jonger zijn, staan ze onderaan de hierarchie, en blijkbaar hebben zij ook last van meer parasieten. Wanneer we alleen naar de volwassen ooien kijken, bleek er geen éénduidig verband te bestaan tussen rang en parasitaire besmetting.
Jeroen Stevens – Centre for Research and Conservation
Posts tonen met het label welzijn. Alle posts tonen
Posts tonen met het label welzijn. Alle posts tonen
zaterdag 19 maart 2011
donderdag 25 november 2010
Goudkopjes op dieet
Goudkopleeuwaapjes eten niet gezond omdat veel fruit teveel suiker bevat. Door al die suiker zijn de diertjes niet alleen veel te zwaar, ze lijden ook vaker aan suikerziekte, en ondervinden door hun dieet waarschijnlijk problemen tijdens de geboorte. Onderzoek van twee eindejaarsstudenten van het Van Hall Instituut uit Leeuwarden in samenwerking met verzorgers, curatoren en onderzoekers van de KMDA wees uit dat het dieet van goudkopleeuwaapjes in dierentuinen te veel aan suikers en te weinig vezels bevat in vergelijking met hun natuurlijke voedsel. Mogelijk wordt dit veroorzaakt doordat commercieel beschikbaar fruit juist geselecteerd is om veel suiker te bevatten, het is immers bedoeld voor menselijke consumptie.
Uit de wetenschappelijke literatuur wisten we al dat er een duidelijk verband is tussen overgewicht en te grote jongen die moeilijk door het geboortekanaal geraken. Waarschijnlijk verklaart het overgewicht van goudkopmoeders ook het relatief hoge percentage aan doodgeboren jongen waarmee het kweekprogramma voor de goudkopleeuwaapjes sinds een tiental jaren kampt. De aanbeveling luidt dan ook dat dierentuinen hun goudkopleeuwapen zo mogelijk op dieet moeten plaatsen en nauwkeurig de gewichten van hun dieren zouden moeten opvolgen.
Dit lijkt overigens niet typerend te zijn voor leeuwaapjes dierentuinen. Met dit probleem kampen ook de wilde goudkopleeuwaapjes die voorkomen in het Atlantisch kustregenwoud van Brazilië. Grote delen van dit woud zijn gekapt en vervangen door weilanden en plantages. Alhoewel de goudkopjes een bedreigde soort zijn hebben zij zich redelijk goed kunnen aanpassen in cacaoplantages waar vaak nog oorspronkelijke bomen zijn blijven staan. In deze cabruca plantages vinden ze voldoende voedsel en slaapplaatsen. De belangrijkste voedselbron is echter, naast bromelia’s, de veelvoorkomende nangka of ‘jackfruit’, een grote (tot 40 kg!) exotische vrucht met ……. erg veel suiker! Een recente studie van onze Braziliaanse onderzoekspartner Leonardo Oliviera rapporteert dat goudkopjes in cabruca gemiddeld significant zwaarder zijn dan deze in primair regenwoud, bijna net zo zwaar als die in dierentuinen.
Dit is mogelijk ook van toepassing op andere primatensoorten in dierentuinen die veel fruit van bij de groentenboer in hun voeding hebben. Zelfs als ze ook van nature veel fruit eten kan het hoge suikergehalte van het commercieel beschikbare fruit toch nog voor problemen zorgen.… nog meer zoetebekken die op dieet moeten?
Peter Galbusera – CRC/KMDA, Anouk Fens – Van Hall Instituut/CRC
Uit de wetenschappelijke literatuur wisten we al dat er een duidelijk verband is tussen overgewicht en te grote jongen die moeilijk door het geboortekanaal geraken. Waarschijnlijk verklaart het overgewicht van goudkopmoeders ook het relatief hoge percentage aan doodgeboren jongen waarmee het kweekprogramma voor de goudkopleeuwaapjes sinds een tiental jaren kampt. De aanbeveling luidt dan ook dat dierentuinen hun goudkopleeuwapen zo mogelijk op dieet moeten plaatsen en nauwkeurig de gewichten van hun dieren zouden moeten opvolgen.
Dit lijkt overigens niet typerend te zijn voor leeuwaapjes dierentuinen. Met dit probleem kampen ook de wilde goudkopleeuwaapjes die voorkomen in het Atlantisch kustregenwoud van Brazilië. Grote delen van dit woud zijn gekapt en vervangen door weilanden en plantages. Alhoewel de goudkopjes een bedreigde soort zijn hebben zij zich redelijk goed kunnen aanpassen in cacaoplantages waar vaak nog oorspronkelijke bomen zijn blijven staan. In deze cabruca plantages vinden ze voldoende voedsel en slaapplaatsen. De belangrijkste voedselbron is echter, naast bromelia’s, de veelvoorkomende nangka of ‘jackfruit’, een grote (tot 40 kg!) exotische vrucht met ……. erg veel suiker! Een recente studie van onze Braziliaanse onderzoekspartner Leonardo Oliviera rapporteert dat goudkopjes in cabruca gemiddeld significant zwaarder zijn dan deze in primair regenwoud, bijna net zo zwaar als die in dierentuinen.
Dit is mogelijk ook van toepassing op andere primatensoorten in dierentuinen die veel fruit van bij de groentenboer in hun voeding hebben. Zelfs als ze ook van nature veel fruit eten kan het hoge suikergehalte van het commercieel beschikbare fruit toch nog voor problemen zorgen.… nog meer zoetebekken die op dieet moeten?
Peter Galbusera – CRC/KMDA, Anouk Fens – Van Hall Instituut/CRC
dinsdag 6 oktober 2009
Verrijking met een geurtje
over de hele wereld steeds vaker gebruik van gedragsverrijking om ervoor te zorgen dat de dieren voldoende afleiding hebben en minder ongewenst gedrag gaan vertonen, zoals het zogenaamde “ijsberen”. De laatste jaren bestaat er een trend om hierbij gebruik te maken van geuren als gedragsverrijking. Veel roofdiersoorten hebben immers een uitstekende reukzin. Een recente studie toonde aan dat deze vorm van verrijking tot nog toe vooral bij katachtigen werd toegepast, maar veel minder bij hondachtigen en helemaal niets werd uitgevoerd bij hyena’s, hoewel ook zij bekend staan om hun goede reukvermogen.
Daarom besloten we om een onderzoek uit te voeren naar het gebruik van geurverrijking bij de gevlekte hyena’s in Planckendael. Eerdere studies bij hyena’s hadden wel aangetoond dat hyena’s verschillende geuren kunnen onderscheiden, maar er was weinig geweten over de invloed van geuren op het gedrag van hyena’s doorheen de dag. Stagiaire Heleen Ceuppens van de Katholieke Hogeschool Sint Lieven te Sint Niklaas trok aan de slag. Zij bood aan de hyena’s 3 verschillende geuren aan. Bloed werd gekozen omdat deze geur bij onze hyena’s bekend is (ze eten vlees). Daarnaast gebruikten we twee etherische oliën: pepermuntolie en lavendelolie. Van de eerste werd in eerdere studies aangetoond dat hij een opwekkende invloed had op het gedrag van honden, de tweede zou rustgevend werken. Heleen sprenkelde elke geur steeds op één pakje stro dat in het verblijf werd gelegd, dit werd het gemarkeerde pakje stro. Daarnaast legden we in het verblijf ook telkens een pakje ongemarkeerd stro. Zo werd elke geur op vijf verschillende dagen aan de hyena’s aangeboden. Om te kijken of stro op zich een effect had, voorzagen we ook vijf dagen waarop de hyena’s twee pakjes ongemarkeerd stro kregen. Bovendien keek Heleen natuurlijk ook op vijf dagen zonder enige extra verrijking. Al tijdens de observaties viel op dat de hyena’s heel fel reageerden op pepermuntolie: ze snuffelden veel aan het gemarkeerde stro en gingen er zelfs in liggen rollen. Daarna roken ze natuurlijk zelf helemaal naar pepermunt, zodat ze zichzelf begonnen schoon te likken en ook opvallend meer met elkaar speelden. Dit alles zorgde ervoor dat in aanwezigheid van pepermuntolie inderdaad het “ijsbeer” gedrag verminderde. De geuren van bloed en lavendel hadden een gelijkaardig effect: beide verminderden het stereotiepe “ijsberen”, maar zorgden niet echt voor meer sociale interacties. Hoewel we dus erg tevreden waren met onze geurexperimenten, die voor het eerst aantoonden dat geuren kunnen gebruikt worden als verrijking voor hyena’s, zat er een onverwacht staartje aan het verhaal. Uit de analyses bleek namelijk dat de beste remedie tegen stereotiep “ijsberen” bestond uit het aanbieden van twee pakjes stro zonder geuren. Op die controledagen stereotiepeerden de hyena’s het minst, omdat ze gewoon de hele namiddag lagen te zonnen, elk op zijn eigen pakje ongemarkeerd stro!
We weten nu dus dat we in de toekomst het leven van onze hyena’s kunnen verrijken door hen gewoonweg stro aan te bieden, waarop we zo af en toe een drupje pepermuntolie kunnen sprenkelen om het spannend te houden.
Daarom besloten we om een onderzoek uit te voeren naar het gebruik van geurverrijking bij de gevlekte hyena’s in Planckendael. Eerdere studies bij hyena’s hadden wel aangetoond dat hyena’s verschillende geuren kunnen onderscheiden, maar er was weinig geweten over de invloed van geuren op het gedrag van hyena’s doorheen de dag. Stagiaire Heleen Ceuppens van de Katholieke Hogeschool Sint Lieven te Sint Niklaas trok aan de slag. Zij bood aan de hyena’s 3 verschillende geuren aan. Bloed werd gekozen omdat deze geur bij onze hyena’s bekend is (ze eten vlees). Daarnaast gebruikten we twee etherische oliën: pepermuntolie en lavendelolie. Van de eerste werd in eerdere studies aangetoond dat hij een opwekkende invloed had op het gedrag van honden, de tweede zou rustgevend werken. Heleen sprenkelde elke geur steeds op één pakje stro dat in het verblijf werd gelegd, dit werd het gemarkeerde pakje stro. Daarnaast legden we in het verblijf ook telkens een pakje ongemarkeerd stro. Zo werd elke geur op vijf verschillende dagen aan de hyena’s aangeboden. Om te kijken of stro op zich een effect had, voorzagen we ook vijf dagen waarop de hyena’s twee pakjes ongemarkeerd stro kregen. Bovendien keek Heleen natuurlijk ook op vijf dagen zonder enige extra verrijking. Al tijdens de observaties viel op dat de hyena’s heel fel reageerden op pepermuntolie: ze snuffelden veel aan het gemarkeerde stro en gingen er zelfs in liggen rollen. Daarna roken ze natuurlijk zelf helemaal naar pepermunt, zodat ze zichzelf begonnen schoon te likken en ook opvallend meer met elkaar speelden. Dit alles zorgde ervoor dat in aanwezigheid van pepermuntolie inderdaad het “ijsbeer” gedrag verminderde. De geuren van bloed en lavendel hadden een gelijkaardig effect: beide verminderden het stereotiepe “ijsberen”, maar zorgden niet echt voor meer sociale interacties. Hoewel we dus erg tevreden waren met onze geurexperimenten, die voor het eerst aantoonden dat geuren kunnen gebruikt worden als verrijking voor hyena’s, zat er een onverwacht staartje aan het verhaal. Uit de analyses bleek namelijk dat de beste remedie tegen stereotiep “ijsberen” bestond uit het aanbieden van twee pakjes stro zonder geuren. Op die controledagen stereotiepeerden de hyena’s het minst, omdat ze gewoon de hele namiddag lagen te zonnen, elk op zijn eigen pakje ongemarkeerd stro!
We weten nu dus dat we in de toekomst het leven van onze hyena’s kunnen verrijken door hen gewoonweg stro aan te bieden, waarop we zo af en toe een drupje pepermuntolie kunnen sprenkelen om het spannend te houden.
Jeroen Stevens - CRC
foto: Jeroen Stevens
dinsdag 29 september 2009
Leuk, leuk, leuk!!! ...bezoekers...
Heb je dat ook wel eens gehad!? Je staat voor een dierenverblijf in de Zoo, en één van de dieren komt naar je toe “om met je te spelen”. Veel mensen zullen je voor gek verklaren, maar zo heel gek is die gedachte niet eens. Zoobezoekers kunnen wel degelijke een positieve invloed hebben op het gedrag en het welzijn van de dieren. We spreken dan van verrijking. Maar de invloed van bezoekers kan ook negatief zijn en zich uiten in een toename van stressgedragingen of agressie tussen de dieren.
Om meer inzicht te verkrijgen in de effecten van bezoekers op verschillende diersoorten die eenzelfde verblijf delen, evalueerden we het gedrag van ezelspinguïns, koningspinguïns en macaronipinguïns in de Antwerpse Zoo. Uit de resultaten bleek dat - in tegenstelling tot wilde pinguïns - alle drie de soorten veel minder agressieve gedragingen vertoonden met toenemende bezoekersaantallen. Dit kan komen omdat pinguïns waakzamer zijn in aanwezigheid van bezoekers (en liever geen tijd besteden aan ruzie maken), of omdat bezoekers een verrijkend effect hebben. Dit laatste lijkt inderdaad het geval voor de ezelspinguïns. Zij bleken een sterke voorkeur te hebben om te zwemmen voor een groot onderwaterraam, vooral wanneer er méér bezoekers stonden. Maar die bezoekers bleken tegelijkertijd ook stresserend te kunnen zijn aan de andere kant van het verblijf. Wanneer er veel bezoekers stonden aan de rechterkant, waar ze hoog boven de zwemmende pinguïns uittorenen, verdween die duidelijke voorkeur, en leken de pinguïns de bezoekers te mijden. Dit laat duidelijk zien dat bezoekers zowel een verrijkende als stresserende invloed kunnen hebben op dierentuindieren. Maar de studie geeft ook aan dat de studie van bezoekerseffecten ons kanhelpen het welzijn van zoodieren te verbeteren én te waarborgen, en dat een juiste inrichting van het verblijf van groot belang kan zijn.
Melanie Rosenhart (VU Amsterdam) & Zjef Pereboom (CRC)
Om meer inzicht te verkrijgen in de effecten van bezoekers op verschillende diersoorten die eenzelfde verblijf delen, evalueerden we het gedrag van ezelspinguïns, koningspinguïns en macaronipinguïns in de Antwerpse Zoo. Uit de resultaten bleek dat - in tegenstelling tot wilde pinguïns - alle drie de soorten veel minder agressieve gedragingen vertoonden met toenemende bezoekersaantallen. Dit kan komen omdat pinguïns waakzamer zijn in aanwezigheid van bezoekers (en liever geen tijd besteden aan ruzie maken), of omdat bezoekers een verrijkend effect hebben. Dit laatste lijkt inderdaad het geval voor de ezelspinguïns. Zij bleken een sterke voorkeur te hebben om te zwemmen voor een groot onderwaterraam, vooral wanneer er méér bezoekers stonden. Maar die bezoekers bleken tegelijkertijd ook stresserend te kunnen zijn aan de andere kant van het verblijf. Wanneer er veel bezoekers stonden aan de rechterkant, waar ze hoog boven de zwemmende pinguïns uittorenen, verdween die duidelijke voorkeur, en leken de pinguïns de bezoekers te mijden. Dit laat duidelijk zien dat bezoekers zowel een verrijkende als stresserende invloed kunnen hebben op dierentuindieren. Maar de studie geeft ook aan dat de studie van bezoekerseffecten ons kanhelpen het welzijn van zoodieren te verbeteren én te waarborgen, en dat een juiste inrichting van het verblijf van groot belang kan zijn.
Melanie Rosenhart (VU Amsterdam) & Zjef Pereboom (CRC)
dinsdag 2 december 2008
Monkey Quest in de ZOO
Vroeg begonnen, is half gewonnen, dacht Adinda Sannen, die enkele jaren geleden nog zelf haar doctoraat in de gedragsbiologie bij de bonobo’s in Planckendael afrondde. Inmiddels geeft zij les aan het Sint Gabriëlcollege in Mortsel, in de laatste jaren van de middelbare opleiding. Samen met haar collega Heidi Gerard, die ook gidst in Planckendael, spoorden ze hun leerlingen aan om een mini-project op poten te zetten rond het observeren van aapjes in de zoo, onder de naam “Monkey Quest”. We laten de leerlingen Evert Wouters, Sarah De Rademaeker en Annelies Jacobs zelf aan het woord over hun ervaringen:
“Apen in gevangenschap hebben een veilig en rustig leventje. Dat lijkt allemaal mooi en aardig, maar zo’n kleine omgeving kan snel voor verveling zorgen. Daar wilden wij iets aan doen. Het Project Zelfstandig Werk “Monkey Quest” gaf ons de mogelijkheid de dagelijkse sleur van de apen te doorbreken. Ons doel was gedragsverrijking te ontwerpen voor verschillende soorten aapjes (bv. het witoorpenseelaapje, de kuifbaviaan, de springtamarin, dwergzijdeaapje… ). Elk groepje koos een aapje en ging aan de slag. We leerden eerst meer over de soorten en over de observatie van het gedrag van dieren. Na eerst ervaring opgedaan te hebben door observatie van de kleuterklassen in ons college, zijn we naar de Zoo van Antwerpen getrokken. Daar aangekomen vergaapten we ons aan de speelse wijze waarop de beestjes elkaar de vlooien uit de vacht pulkten. We werden vriendelijk ontvangen door het “enrichment-team” van de Zoo, installeerden ons voor de kooi van onze aapjes, namen ons observatiepapier en grepen naar de balpen. Turven werd ons lust en leven.”
Er volgden nog 2 tripjes naar de Zoo en uiteindelijk mochten de leerlingen hun eigen gedragsverrijking ontwerpen. De voorstellen werden gekeurd door Zoo-medewerker Jeroen Stevens en vrijwilligster Ingrid De Decker, waarna uiteindelijk vier ontwerpen uitgewerkt werden in samenwerking met de enrichment vrijwilligers en de verzorgers. “Vol verwachtingen gingen we een laatste keer naar de Zoo. In de kooien van “onze” aapjes hingen de speeltjes en nu konden we eindelijk zien hoe ze erop reageerden. Voor enkelen van ons was de teleurstelling groot: sommige aapjes liet het koud, anderen stonden zelfs doodsangsten uit. Nochtans was het project verre van een fiasco. De kuifbavianen hebben veel plezier gehad aan hun speeltje, ook al was het meteen stuk, en ook bij de uilenkopmeerkatten en goudkopleeuwaapjes was het een succesverhaal.” Volgens de verzorgers was het zeer zeker ook een geslaagd project, aangezien de tijd om de speeltjes voor de apen te maken véél korter was dan de tijd die zij er zelf vaak aan besteden.
Jeroen Stevens
“Apen in gevangenschap hebben een veilig en rustig leventje. Dat lijkt allemaal mooi en aardig, maar zo’n kleine omgeving kan snel voor verveling zorgen. Daar wilden wij iets aan doen. Het Project Zelfstandig Werk “Monkey Quest” gaf ons de mogelijkheid de dagelijkse sleur van de apen te doorbreken. Ons doel was gedragsverrijking te ontwerpen voor verschillende soorten aapjes (bv. het witoorpenseelaapje, de kuifbaviaan, de springtamarin, dwergzijdeaapje… ). Elk groepje koos een aapje en ging aan de slag. We leerden eerst meer over de soorten en over de observatie van het gedrag van dieren. Na eerst ervaring opgedaan te hebben door observatie van de kleuterklassen in ons college, zijn we naar de Zoo van Antwerpen getrokken. Daar aangekomen vergaapten we ons aan de speelse wijze waarop de beestjes elkaar de vlooien uit de vacht pulkten. We werden vriendelijk ontvangen door het “enrichment-team” van de Zoo, installeerden ons voor de kooi van onze aapjes, namen ons observatiepapier en grepen naar de balpen. Turven werd ons lust en leven.”
Er volgden nog 2 tripjes naar de Zoo en uiteindelijk mochten de leerlingen hun eigen gedragsverrijking ontwerpen. De voorstellen werden gekeurd door Zoo-medewerker Jeroen Stevens en vrijwilligster Ingrid De Decker, waarna uiteindelijk vier ontwerpen uitgewerkt werden in samenwerking met de enrichment vrijwilligers en de verzorgers. “Vol verwachtingen gingen we een laatste keer naar de Zoo. In de kooien van “onze” aapjes hingen de speeltjes en nu konden we eindelijk zien hoe ze erop reageerden. Voor enkelen van ons was de teleurstelling groot: sommige aapjes liet het koud, anderen stonden zelfs doodsangsten uit. Nochtans was het project verre van een fiasco. De kuifbavianen hebben veel plezier gehad aan hun speeltje, ook al was het meteen stuk, en ook bij de uilenkopmeerkatten en goudkopleeuwaapjes was het een succesverhaal.” Volgens de verzorgers was het zeer zeker ook een geslaagd project, aangezien de tijd om de speeltjes voor de apen te maken véél korter was dan de tijd die zij er zelf vaak aan besteden.
Jeroen Stevens
vrijdag 21 november 2008
Ethologie "waar je wat aan hebt"
Ethologisch onderzoek, ook bekend als gedragsonderzoek, is al jaren één van de specialismen van het Centre for Research and Conservation, het onderzoekscentrum van de KMDA. Een groeiende onderzoekstak binnen de ethologie is de toegepaste ethologie, waarbij specifiek onderzoek wordt gedaan naar manieren om een goede huisvesting en welzijn van dieren te garanderen. Met de opkomst van specifieke toegepaste opleidingen voor “dierenzorg” en “dierenmanagement” in Vlaamse Hogescholen kent ook dit toegepaste onderzoek bij ons een vlucht en belanden heel wat studenten in de zoo voor een stage. Het merendeel van de stagiaires volgt de richting agro- en biotechnologie, optie dierenzorg aan de Katholieke Hogeschool Sint Lieven uit Sint Niklaas De vlotte samenwerking met deze hogeschool is te danken aan Dr Hilde Vervaecke, die zelf haar doctoraat in Planckendael bij de bonobo’s uitvoerde. Nu kunnen haar studenten bij ons terecht voor hun stage.
Zo werkte Remco Goos rond de gedragsverrijking van de schuttersvissen in het aquarium. De verzorgers geven al jaren krekels aan deze vissen, die ze met een straaltje water naar beneden schieten. Remco onderzocht hoe lang de vissen actief waren met krekels schieten, en of er minder agressie was bij de vissen als ze krekels kregen. Dat bleek inderdaad zo te zijn: de vissen bleven tot 3 uur nadat de krekels werden gegeven actief schieten naar de insecten en agressie bleef beduidend lager.
Ook Dries Van Gijsel liet zich verleiden door koudbloedige dieren, in zijn geval de pijlgifkikkers. Verzorger Ben Van Dyck had gehoord dat deze in Amerika kikkertjes getraind werden om in een transportkist of op een weegschaal te huppen. Omdat verzorgers hen niet hoeven te vangen kunnen zo stress of huidbeschadigingen voorkomen worden. Aan Dries de opdracht om dit ook voor de Antwerpse kikkers te proberen. Met behulp van een klikker, die ook voor het trainen van honden en andere dieren wordt gebruikt, en kleine krekels op een stokje, slaagde Dries er uiteindelijk met veel moeite in om twee blauwe pijlgifkikkers te leren in een transportkist te doen springen.
Anya Thyssen liep stage bij de zeehonden en onderzocht of hun gedrag beïnvloed wordt door de aanwezigheid van (veel) bezoekers naast het bassin. Uit haar studie bleek dat de zeehonden vaker onder water zwemmen op dagen dat er meer bezoekers in de tuin zijn. Ook wanneer er meer dan 10 bezoekers langs hun bassin staan te kijken, steken de zeehonden vaker hun kop onder water.
Jolanda Somers werkte bij de kleine apen en stond stil bij de eetgewoonten van onze vier Celebesmakaken. Elk stukje voedsel werd zorgvuldig gewogen voor het aan de makaken gegeven werd, en na de maaltijd woog de stagiaire hoeveel er nog restte. Het dieet van de makaken in de zoo bleek goed overeen te stemmen met wat wordt aanbevolen. Alleen bleek dat elk dier een wel erg sterke voorkeur had voor bepaalde voedseltypes, zodat ze uiteindelijk toch niet altijd een gebalanceerd dieet binnenkrijgen.
Ellen Van Humbeeck wilde vooral weten hoe het zit met de paarbinding bij de twee kweekkoppels monniksgieren in Planckendael. Bovendien was er het vermoeden dat ook in de grote ‘dating’ volière iets moois bloeide tussen de gieren Darwin en Elena. Ellen volgde het wel en wee van de gieren: er was inderdaad sprake van een romance tussen Darwin en Elena. Chill werd nog steeds op de kop gezeten door zijn partner Wonder en achter de schermen flikflooiden Xyniks en Ysis rustig verder. Uiteindelijk legden zowel Chill en Wonder als Xynix en Ysis een ei, en groeiden dit jaar twee gierenkuikens goed op.
Tim Aerts en An Santamaria volgden gedurende drie maanden de groep chimpansees op in Antwerpen, nadat deze een extra buitenverblijf hadden gekregen. Zij bestudeerden de conflicten in de groep, maar noteerden ook waar de mensapen zich in het verblijf bevonden en wat ze zoal de hele dag uitspookten. Uit hun onderzoek bleek dat de conflicten tussen de chimpansees zich vooral voordeden wanneer de mensapen ’s ochtends binnen gehouden werden, terwijl hun twee grotere verblijven worden schoongemaakt. De chimpansees leken de toename in agressie te compenseren door meer met elkaar te spelen.
Nu alle stages zijn afgerond en de onderzoeksrapporten binnen zijn, kunnen curatoren en biologen zich buigen over de vraag hoe we de onderzoeksresultaten op een nuttige manier kunnen verwerken in het dagelijkse verzorging van de dieren in onze beide parken. Als we ons haasten, zijn we daar net op tijd mee klaar voor de nieuwe lading stagiaires weer binnenstroomt.
Jeroen Stevens
Zo werkte Remco Goos rond de gedragsverrijking van de schuttersvissen in het aquarium. De verzorgers geven al jaren krekels aan deze vissen, die ze met een straaltje water naar beneden schieten. Remco onderzocht hoe lang de vissen actief waren met krekels schieten, en of er minder agressie was bij de vissen als ze krekels kregen. Dat bleek inderdaad zo te zijn: de vissen bleven tot 3 uur nadat de krekels werden gegeven actief schieten naar de insecten en agressie bleef beduidend lager.
Ook Dries Van Gijsel liet zich verleiden door koudbloedige dieren, in zijn geval de pijlgifkikkers. Verzorger Ben Van Dyck had gehoord dat deze in Amerika kikkertjes getraind werden om in een transportkist of op een weegschaal te huppen. Omdat verzorgers hen niet hoeven te vangen kunnen zo stress of huidbeschadigingen voorkomen worden. Aan Dries de opdracht om dit ook voor de Antwerpse kikkers te proberen. Met behulp van een klikker, die ook voor het trainen van honden en andere dieren wordt gebruikt, en kleine krekels op een stokje, slaagde Dries er uiteindelijk met veel moeite in om twee blauwe pijlgifkikkers te leren in een transportkist te doen springen.
Anya Thyssen liep stage bij de zeehonden en onderzocht of hun gedrag beïnvloed wordt door de aanwezigheid van (veel) bezoekers naast het bassin. Uit haar studie bleek dat de zeehonden vaker onder water zwemmen op dagen dat er meer bezoekers in de tuin zijn. Ook wanneer er meer dan 10 bezoekers langs hun bassin staan te kijken, steken de zeehonden vaker hun kop onder water.
Jolanda Somers werkte bij de kleine apen en stond stil bij de eetgewoonten van onze vier Celebesmakaken. Elk stukje voedsel werd zorgvuldig gewogen voor het aan de makaken gegeven werd, en na de maaltijd woog de stagiaire hoeveel er nog restte. Het dieet van de makaken in de zoo bleek goed overeen te stemmen met wat wordt aanbevolen. Alleen bleek dat elk dier een wel erg sterke voorkeur had voor bepaalde voedseltypes, zodat ze uiteindelijk toch niet altijd een gebalanceerd dieet binnenkrijgen.
Ellen Van Humbeeck wilde vooral weten hoe het zit met de paarbinding bij de twee kweekkoppels monniksgieren in Planckendael. Bovendien was er het vermoeden dat ook in de grote ‘dating’ volière iets moois bloeide tussen de gieren Darwin en Elena. Ellen volgde het wel en wee van de gieren: er was inderdaad sprake van een romance tussen Darwin en Elena. Chill werd nog steeds op de kop gezeten door zijn partner Wonder en achter de schermen flikflooiden Xyniks en Ysis rustig verder. Uiteindelijk legden zowel Chill en Wonder als Xynix en Ysis een ei, en groeiden dit jaar twee gierenkuikens goed op.
Tim Aerts en An Santamaria volgden gedurende drie maanden de groep chimpansees op in Antwerpen, nadat deze een extra buitenverblijf hadden gekregen. Zij bestudeerden de conflicten in de groep, maar noteerden ook waar de mensapen zich in het verblijf bevonden en wat ze zoal de hele dag uitspookten. Uit hun onderzoek bleek dat de conflicten tussen de chimpansees zich vooral voordeden wanneer de mensapen ’s ochtends binnen gehouden werden, terwijl hun twee grotere verblijven worden schoongemaakt. De chimpansees leken de toename in agressie te compenseren door meer met elkaar te spelen.
Nu alle stages zijn afgerond en de onderzoeksrapporten binnen zijn, kunnen curatoren en biologen zich buigen over de vraag hoe we de onderzoeksresultaten op een nuttige manier kunnen verwerken in het dagelijkse verzorging van de dieren in onze beide parken. Als we ons haasten, zijn we daar net op tijd mee klaar voor de nieuwe lading stagiaires weer binnenstroomt.
Jeroen Stevens
Abonneren op:
Posts (Atom)

