maandag 22 december 2008

De Baas in huis

In 1913 deed de Noorse onderzoeker Sjelderupp-Ebbe een belangwekkende ontdekking. Hij was als kind al gefascineerd door zijn kleine toom kippen en hield zorgvuldig bij welke kip door wie werd gepikt. Uiteindelijk bleek uit deze aantekeningen dat er een pikorde bestaat – of zoals het later meer algemeen werd genoemd, een dominantiehiërarchie.

Intussen weten we dat dominantiehiërarchieën bij heel veel in groepen levende diersoorten bestaan en dat die soms belangrijke invloed kan hebben op het leven van dieren. Stress en reproductief succes, het kan allemaal afhangen van je plaats in de dominantiehiërarchie. Maar het komt bij het bepalen van zo een hiërarchie niet altijd alleen neer op zorgen dat je pikt en niet gepikt wordt, zoals bij de kippen van Sjelderup-Ebbe. Vooral bij apen en mensapen wordt de hiërarchie beïnvloed door een subtiel en complex netwerk van sociale relaties. Bovendien blijkt dat dominantie niet altijd even sterk uitgesproken is, zelfs bij diersoorten die nauw verwant zijn aan elkaar. We kunnen spreken van “despotische” soorten, waarbij dominantie sterk uitgesproken is, maar er zijn ook “egalitaire soorten” waarbij rangverschillen niet zo erg groot zijn en waar de invloed van dominantie wellicht ook minder sterk is. Tijdens mijn doctoraatsstudie naar mannelijke bonobo’s ontwikkelde ik, samen met Hilde Vervaecke en statisticus Han de Vries van de universiteit van Utrecht, een methode om de dominantiestijl gemakkelijker te kunnen beschrijven. Die methode werkt alvast voor bonobo’s – nu is de vraag of ze ook voor andere diersoorten bruikbaar is. Handig als je onderzoek doet in de dierentuinen van Antwerpen en Planckendael – want daar heb je natuurlijk “proefkonijnen” genoeg.

Jeroen Stevens

zondag 21 december 2008

Inteelt bij bonobo's


De KMDA is als stamboekhouder en coördinator van het bonobo kweekprogramma verantwoordelijk voor het opvolgen van alle bonobo’s die wereldwijd in dierentuinen leven. Wij geven deze dierentuinen advies over welke dieren al dan niet mogen kweken om onder andere inteelt tussen nauw verwante dieren (vader-dochter of broer-zus) zoveel mogelijk te beperken. Bij veel diersoorten kan inteelt namelijk leiden tot verminderde groei of lagere vruchtbaarheid, en zelfs de kans het eerste levensjaar te overleven sterk verkleinen. Het vermoeden dat Vifijo in Planckendael al twee nakomelingen heeft gekregen met zijn moeder Hortense leidde ertoe dat hij naar een bonobogroep in Berlijn werd gestuurd om inteelt te voorkomen.

Om te onderzoeken of inteelt bij bonobo’s vaak voorkomt en de gevolgen daarvan op grotere schaal te bestuderen, hebben wetenschappers van het CRC verleden jaar een gedetailleerde analyse uitgevoerd van het internationale stamboek. Daarbij werd een techniek gebruikt om op grond van DNA uit haarstalen en bloed vast te stellen wie de vaders van de jonggeboren bonobo’s waren.
Op grond van het stamboekonderzoek en de DNA analyses werden er 17 gevallen van inteelt ontdekt bij 142 bonobo’s die sinds 1962 in dierentuinen geboren zijn. Dit had, zoals verwacht, nadelige gevolgen voor die dieren. Het bleek dat deze ingeteelde bonobo’s relatief minder vaak het eerste levensjaar overleefden in vergelijking met nakomelingen van niet verwante bonobo’s. Echter op de lange termijn loopt de overleving van de bonobopopulatie geen enkel gevaar als wij als coördinator van het programma onze taak naar behoren blijven uitvoeren.

Zjef Pereboom

Van Coillie, S, P Galbusera, A Roeder, W Schrempp, J Stevens, K Leus G. Reinartz and J. Pereboom. (2008) Molecular paternity determination in captive bonobos and the impact of inbreeding on infant mortality. Animal Conservation. 11 306–312 doi:10.1111/j.1469-1795.2008.00186.x

Vadertje ooievaar


Voor het onderzoek aan de ooievaars van Planckendael, is 2008 een buitengewoon jaar geworden. Eind vorig jaar arriveerde in het CRC onderzoeksteam een Australische wetenschapper die zich 3 jaar lang zal bezighouden met het bestuderen van de ooievaars. Tot nu toe richtte het onderzoek aan de ooievaars zich uitsluitend op de bepaling van genetische relaties tussen de vogels in Planckendael aan de hand van het DNA uit hun veren. Jill is echter dit jaar begonnen met de uitbreiding van het onderzoek op Europese schaal, waarbij we zowel het DNA van ooievaars uit West- als die uit Oost Europa gaan bestuderen. De belangrijkste doelstelling is om te onderzoeken wat het effect is geweest van de herintroductieprojecten die sinds de jaren zestig hebben plaatsgevonden in heel Europa. Meer in het bijzonder kunnen we nu in detail onderzoeken waar de Planckendael ooievaars vandaan komen en waar “onze” vogels naar toe vliegen. Bovendien kunnen we op grond van deze informatie en historische gegevens, die verder aangevuld worden met ringgegevens en klimatologische data, veranderingen detecteren in het voorkomen van ooievaars in Europa en veranderingen in de jaarlijkse trek naar het zuiden. lees meer >>


Jill Shephard | Zjef Pereboom | CRC

woensdag 3 december 2008

Rooms with a view

Sinds enkele maanden wordt er hard gewerkt in de Zoo aan de bouw van nieuwe faciliteiten ‘achter de schermen’ voor het kweken en bestuderen van bedreigde amfibieën. In totaal worden er 4 nieuwe gespecialiseerde kamers ingericht.

De Iraanse kamer is in het bijzonder ingericht voor de huisvesting van reddings- en onderzoekscollecties van salamanders en andere amfibieën van Iran. De amfibieën van de Iraanse hoogvlakte worden sterk bedreigd door de klimaatverandering, welke vooral van invloed is op watersalamanders. In deze ruimte met speciale watertanks en filtersystemen verwachten we broedpopulaties in stand te kunnen houden en studies te doen ter verbetering van de voortplanting en de verzorging van deze dieren.

Grenzend aan de Iraanse kamer is de Afrikaanse kamer met wormsalamanders en andere amfibieën uit Centraal Afrika. Kameroen heeft de hoogste verscheidenheid (biodiversiteit) van amfibieën in Afrika, waaronder de ernstig bedreigde Lake Oku kikker. In de Afrikaanse kamer, zal de KMDA een kweekpopulatie van deze dieren huisvesten samen met broedpopulaties van andere ernstig bedreigde amfibieën uit Centraal Afrika. Door hun zeldzaamheid en onbekendheid vormen wormsalamanders een speciale groep binnen het KMDA reddingsprogramma. Zij bieden ons bovendien een unieke onderzoeksmogelijkheid. Nooit eerder werden hun gedrag en voortplanting uitvoerig bestudeerd. Samenwerking met Nederlandse en Vlaamse universiteiten biedt ons de mogelijkheid nog nooit onderzochte chemische stoffen uit hun huid te onderzoeken.

De speciaal gebouwde kamer voor de algemene collectie is hoofdzakelijk bedoeld om kikkers uit tropisch Amerika te huisvesten. In deze kamer met haar zeer hoge temperatuur en luchtvochtigheid houden we kleine onderzoeksgroepen en kweekpopulaties van bedreigde pijlgifkikkers en andere kleine kikkersoorten. Speciaal voor wetenschappelijk onderzoek naar de ontwikkeling van kikkervisjes is ook er een klein labo voorzien in deze kamer. Ter ondersteuning van de voortplanting bevat de kamer vier regentanks die worden gebruikt voor nabootsen van regenbuien voor het stimuleren van de voortplanting.

De vierde kamer zal worden gebruikt voor korte-termijn studies zoals de rol van ultraviolette straling op de ontwikkeling van kikkervisjes, of voor het verbeteren van de verzorging en voortplanting van amfibieën.

Met deze waaier van uiteenlopende en gespecialiseerde kamers heeft de KMDA de mogelijkheid te voorzien in een breed scala van belangrijke kweek- en reddingsprogramma's voor amfibieën, zowel op wetenschappelijk gebied als voor de actieve bescherming van amfibieën en hun natuurlijke leefomgeving.

Robert Browne | Zjef Pereboom | CRC

dinsdag 2 december 2008

Onderzoek en de KMDA

Wetenschappelijk onderzoek is een van de manieren voor de KMDA om bij te dragen aan conservatie. Voor die onderzoeksopdracht heeft de KMDA de beschikking over een eigen volledig toegerust onderzoekscentrum. Het Centre for Research and Conservation (CRC) bestaat uit een team van biologen, veeartsen, laboranten en studenten die zich bezig houden met wetenschappelijk onderzoek dat ten eerste kan helpen dieren op een verantwoorde manier te houden in dierentuinen, en ten tweede een bijdrage kan leveren aan het voortbestaan van een diersoort en hun natuurlijke leefmilieu.

Seks in de hoofdrol
De meest voor de hand liggende studieobjecten zijn natuurlijk diersoorten waar de KMDA al een boontje voor heeft, de dieren waar wij het kweekprogramma van beheren. Maar we werken ook met soorten waarin de KMDA een belangrijke rol speelt omdat we ofwel veel ervaring hebben met de kweek, of omdat we een groot deel van de totale populatie in huis hebben, of indien er een nood is aan onze specifieke expertise. Het meest vermaard zijn natuurlijk de bonobo’s van Planckendael. We onderzoeken daar onder andere hoe bonobo’s hun familieruzies oplossen en hoe zij zich met elkaar verzoenen nadien. Daarnaast wordt er momenteel hard gewerkt aan hoe bonobo’s hun “huishouden” organiseren en wat de rol van partnerkeuze is bij het voortplantingssucces van bonobo’s. Ondanks dat we al veel over bonobo’s geleerd hebben is het weten we nog steeds niet waarom sommige vrouwen een voorkeur voor een bepaald mannetje lijken te hebben. Dit zijn vragen die voor het kweekprogramma van bijzondere waarde zijn, en dit soort studies een voorbeeld voor andere kweekprogramma’s. Zo heeft het onderzoek naar het belang van partnerkeuze zich ook uitgebreid naar de monniksgieren. Het door de KMDA gecoördineerde kweekprogramma fungeert als bron voor herintroductieprojecten van monniksgieren in Frankrijk en Spanje, maar het huidige teleurstellende kweeksucces is een serieus gevaar voor het slagen van het volledige conservatieproject voor de soort. Uit ons onderzoek blijkt onder andere dat de tegenvallende kweekresultaten mogelijk veroorzaakt worden doordat wij niet weten hoe de dieren best te koppelen. Monnikgieren hebben immers een levenslange paarband, en nemen niet de eerste de beste als lief.

Stappen is soms een probleem
Binnen de KMDA wordt in de eerste plaats ook geprofiteerd van de beschikbaarheid van een unieke collectie dieren om experimentele gegevens aan te reiken in de discussies rond de evolutionaire oorsprong van het rechtop lopen bij onze verre voorouders. Ook hier spelen de bonobo’s en ook de gibbons een glansrol. De problemen die zij ondervinden bij het stappen kunnen ons inzicht verschaffen in onze eigen geschiedenis op twee benen. Daarnaast worden nieuwe technieken ontwikkeld en gebruikt die worden ingezet op bewegings-problematieken van meer praktische aard die specifiek zijn voor de zoo-wereld. Zo wordt gewerkt aan onderzoek naar de relatie tussen de aard van de bodem in een verblijf en hoef- en gewrichtsproblemen bij okapi’s. De onderzoeksmethoden die werden uitgewerkt voor deze studie, alsook de opgeleverde resultaten, zijn van grote waarde voor de huisvesting van hoefdieren in het algemeen.

DNA vul gaten in onze kennis
Het moderne DNA-labo biedt de KMDA een veelvoud aan praktische toepassingen en nieuwe onderzoeksmogelijkheden. Omdat bijvoorbeeld voor sommige vogelsoorten het geslacht moeilijk of niet uitwendig is te onderscheiden, is de genetische geslachtsbepaling cruciaal voor de kweekprogramma’s van allerlei vogelsoorten. Deze bepalingen gebeuren nu routinematig in de labo’s van de KMDA met behulp van DNA analyses. Maar DNA onderzoek is om nog een andere wijze belangrijk. Eén van de belangrijkste doestellingen binnen de kweekprogramma’s is om per diersoort zo veel mogelijk genetische diversiteit te behouden Alleen dan kan een diersoort op een verantwoorde manier gekweekt of behouden worden. Enkele diersoorten hebben om die reden een bevoorrechte positie en hun eigen DNA onderzoeksprojecten.

In het verleden werden op verschillende momenten nakomelingen van wilde hertzwijnen of babiroessa’s uit Indonesische dierentuinen naar Europese dierentuinen verscheept. Omdat we niet weten hoeveel wilde hertzwijnen aan de basis liggen van de kweek, willen we het aantal stamvaders en stammoeders achterhalen met behulp van DNA analyse. Zolang we niet weten hoe nauw de hertzwijnen die nu in dierentuinen leven aan elkaar verwant zijn kunnen we de verdere kweek dus moeilijk sturen. Ook voor het goudkopleeuwaapje bestuderen we de familiale banden tussen de dieren die vroeger vanuit Brazilië ingevoerd werden. Waarschijnlijk waren dat familiegroepjes, bestaande uit vader, moeder en de kinderen, wat tot gevolg heeft dat we mogelijk minder genetische variatie in de huidige dierentuinpopulatie hebben dan gedacht.

Het genetisch karakteriseren van de drie vermoedelijke ondersoorten van de soldatenara (en mogelijke hybriden) zal toelaten de kweek van deze ara’s ‘raszuiver’ te houden. Ten laatste willen we de genetische diversiteit van de kweekpopulatie van Kaapse zeepaardjes verifiëren en opvolgen. Daarvoor vergelijken we stalen van onze kweek met natuurlijke stalen. De eerste resultaten wijzen op een genetisch verarmde Antwerpse populatie.Ook de brilberen worden onder de loep worden genomen binnen een gezamenlijk project met de Universiteit Bolivië, de Universiteit Antwerpen en het 'Andean Bear specialist team' van de wereld conservatie organisatie IUCN. In de Zuidelijke Andes worden meststalen verzameld ism lokale onderzoekers om aldus meer te weten te komen over de verspreiding en populatiestructuur van deze soort.

Daarnaast kunnen we stellen dat het wetenschappelijk onderzoek door onze veeartsen bijdraagt aan de fysieke en mentale gezondheid van al onze dieren. Dit heeft uiteraard ook positieve gevolgen voor de realisatie van de doelstellingen van diverse kweekprogramma’s. Anderzijds proberen we met onze expertise ook een bijdrage te leveren aan het behoud van bedreigde diersoorten in hun natuurlijke leefomgeving. Daartoe is de KMDA momenteel actief in natuurbeschermingsprojecten in Vlaanderen (Natuurreservaat “De Zegge”), Kameroen en Brazilië, waar CRC-wetenschappers actief veldonderzoek doen en een directe invulling geven aan de natuurbehoudsmissie van de KMDA.

Zjef Pereboom

Zin en onzin van kweekprogramma’s





Conservatie, of natuurbehoud, omvat alle activiteiten die bijdragen tot het behouden van dieren, planten en de natuur in het algemeen. Dat kan enerzijds door bescherming van dieren en planten in hun natuurlijke leefomgeving en de zorg voor die leefomgeving zelf, anderzijds door bescherming van diersoorten op een andere plaats. Vooral voor dieren die in de natuur bedreigd worden of zijn uitgestorven, worden populaties in dierenparken in stand gehouden met behulp van kweekprogramma’s. Het merendeel van deze programma’s heeft als doel een zich zelf onderhoudende reservepopulatie op te bouwen voor het geval het met de natuurlijke populatie onverhoopt de verkeerde kant op gaat. Je zou het kunnen zien als soort moderne ‘Ark van Noë’. Een verdere doelstelling is om in tussentijd deze dieren te gebruiken als ambassadeurs voor hun soortgenoten in de natuur, voor natuurbeschermingseducatie, fondsenwerving voor conservatieprogramma’s in de natuur en voor wetenschappelijk onderzoek.

Niet enkel voor bedreigde diersoorten
Het is belangrijk duidelijk te stellen dat niet elke diersoort in een dierentuin deel uitmaakt van een kweekprogramma. Kweekprogramma’s zijn er ook niet alleen voor bedreigde diersoorten, en niet elke bedreigde soort wordt per definitie beheerd binnen een kweekprogramma. Ook andere soorten die van groot belang zijn voor dierentuinen, bijvoorbeeld omwille van hun educatieve waarde, en die zonder intensief beheer dreigen te verdwijnen uit de dierentuincollecties kunnen in een kweekprogramma beheerd worden Een andere belangrijke reden is om te voorkomen dat we dezelfde fouten maken als in “de goede oude tijd”, of in dit geval eerder “de slechte oude tijd”. Toen werden heel wat dieren rechtstreeks betrokken uit de natuur of aangekocht bij handelaren of andere dierentuinen. Onnodig te stellen dat deze dierenhandel vandaag de dag om verschillende redenen onaanvaardbaar is. Voor moderne dierentuinen is onderlinge uitwisseling van dieren uit de kweekprogramma’s ‘zonder winstoogmerk’ de norm.

Europese samenwerking en uitwisseling
Uiteraard kan een individuele dierentuin niet zelf een kweekprogramma beginnen. Dierentuinen die samenwerken door dieren te kweken en onderling uit te wisselen, moeten in zekere mate de afzonderlijke collecties op elkaar afstemmen. Indien elke dierentuin andere soorten houdt, is uitwisseling immers nog steeds niet mogelijk. Die afstemming gebeurt in wat men noemt een “regionaal collectieplan”. Dierentuinorganisaties zoals EAZA (European Association of Zoos and Aquaria) spelen hierbij een uiterst belangrijke rol. Die regionale dierentuinorganisaties kan je in zekere zin beschouwen als een soort kwaliteitslabel. Dierentuinen die lid zijn van deze organisaties moeten aan bepaalde kwaliteitsnormen voldoen en verbinden zich ertoe bepaalde gedragscodes na te leven, bijvoorbeeld in verband met samenwerking voor het beheer van de collectie en de kweekprogramma’s.

Beheer van de collecties: ESBs en EEPs
Als onderdeel van een regionaal collectieplan wordt voor elke soort bepaald op welk niveau de populatie van deze soort het best wordt beheerd. Voor de dierentuinen binnen EAZA zijn dat bijvoorbeeld het European Studbook, ofwel het Europese stamboek (ESB), en het European Endangered species Programme (EEP). Voor het ESB wordt een stamboekhouder (een werknemer uit één van de EAZA instituten) aangesteld om van de soort in kwestie alle bekende gegevens te verzamelen van alle dieren, zowel de levende als al hun voorouders. Aan de hand van deze informatie kan een familiestamboom van de soort worden opgesteld, en worden beslissingen genomen voor het beheer van de soort. Deze gegevens worden op regelmatige basis aangevuld en gepubliceerd in een stamboek (zoals men dat ook heeft voor raspaarden, rashonden enz). De KMDA beheert het ESB van de Mexicaanse soldatenara (Ara militaris mexicana) en de Fischer’s toerako (
Tauraco fischeri). We spreken van een internationaal stamboek waneer de stamboekhouder gegevens verzameld van alle dieren van één soort wereldwijd.In een EEP, wordt niet alleen een stamboekhouder maar ook een coördinator voor het kweekprogramma aangesteld. Voor de soort wordt dan niet alleen een stamboek bijgehouden, maar er worden ook op regelmatige basis aanbevelingen gedaan met betrekking tot welke individuen al dan niet mogen kweken en in welke combinaties, of naar welke dierentuinen dieren kunnen verhuizen. Vooral diersoorten die van bijzonder belang zijn en waarvoor het noodzakelijk is dat de populatie in een zo goed mogelijke conditie wordt gehouden, zoals bedreigde diersoorten, worden op dit niveau beheerd. De KMDA beheert het EEP van de Europese monniksgier (Aegypius monachus), en het EEP én het internationaal stamboek van de okapi (Okapia johnstoni), de bonobo (Pan paniscus), de Kongopauw (Afropavo congensis) en het goudkopleeuwaapje (Leontopithecus chrysomelas).

Herintroductie niet vanzelfsprekend
Een populair misverstand is dat elk kweekprogramma in het leven wordt geroepen om op relatief korte termijn de soort terug te kunnen uitzetten in de vrije natuur. Niets is minder waar. Het aantal diersoorten waarvoor een kweekprogramma wordt opgesteld met het specifieke doel om door herintroductie de aanwezigheid van die soort te proberen herstellen in een gebied waar ze is uitgestorven, is zelfs érg klein. Toch heeft de KMDA de eer het EEP te coördineren voor één van deze soorten. Vanuit Planckendeal beheren wij immers het kweekprogramma voor de Europese monniksgier. De jongen geboren binnen het EEP worden terug uitgezet in Frankrijk in samenwerking met de Black Vulture Conservation Foundation (BVCF) en La Ligue pour la Protection des Oiseaux (LPO). Voor het merendeel van de kweekprogramma’s is herintroductie echter geen doelstelling, onder meer omdat het zeer langdurige, complexe en kostbare projecten zijn met de nodige risico’s, en vaak weinig kans van slagen. Alleen met buitengewoon veel expertise, overleg, geestkracht en geduld heeft het zin een levensvatbare, vrij-levende populatie terug in de natuur tot stand te brengen.

Kristin Leus | Zjef Pereboom



De Zegge onder de loupe


De Universiteit Antwerpen en de KMDA hebben in het kader van een wetenschappelijk samenwerkingsproject enkele jaren geleden een uitgebreid meetnet opgezet in en rond De Zegge. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in hoe de bodemsamenstelling en het grond- en oppervlaktewater gerelateerd zijn aan de natuurwaarden in De Zegge.


De eerste voorlopige resultaten maken duidelijk dat het grondwater van groot van belang is voor de aanwezigheid van zeldzame plantensoorten. De meest bedreigde planten komen voornamelijk voor op die plaatsen waar het grondwaterpeil het hele jaar door hoog is. De resultaten maken vooral ook duidelijk dat er nog grote hiaten in onze kennis zijn. Om deze ten dele in te vullen is het meetnet begin dit jaar met enkele peilbuizen uitgebreid. Hierbij zijn twee diepe peilbuizen geplaatst zodat ook informatie wordt gekregen van het grondwater uit de diepere lagen. Verder is nu ook gestart met het onderzoek naar het oppervlaktewater dat langs en door De Zegge stroomt. Belangrijke factoren zoals kwaliteit van het water, de waterdiepte en de stroomsnelheid worden verscheidene malen per jaar gemeten.


Het verzamelen van deze gegevens is erg belangrijk voor het behoud van De Zegge. De resultaten tot nu toe tonen aan dat het grondwater dat in De Zegge aan de oppervlakte komt zeer arm is aan voedingsstoffen en dat is gunstig voor het voortbestaan van de zeldzame planten in het gebied. Het oppervlaktewater rond De Zegge blijkt echter grote hoeveelheden voedingsstoffen te bevatten, hetgeen weer negatieve gevolgen heeft voor de natuur. Deze nieuwe onderzoeken stellen ons dus in staat in de gaten te houden of het “vervuilde” oppervlaktewater het schone grondwater niet beïnvloedt of, erger nog, zelfs vervangt. Dit laatste is niet onrealistisch aangezien het lager gelegen landbouwgebied ten noorden van de Zegge het grondwater kan wegtrekken. Dit zou rampzalig zijn voor de aanwezige natuurwaarden in De Zegge. Het is dus een noodzaak om genomen kunnen worden en mogelijke negatieve invloeden op de bijzondere natuurwaarden tot een minimum kunnen beperken. Het verder uitgebreide meetnet kan ons daarbij uitstekend helpen.


Hans Backx | Steven Vansteenkiste

Monkey Quest in de ZOO

Vroeg begonnen, is half gewonnen, dacht Adinda Sannen, die enkele jaren geleden nog zelf haar doctoraat in de gedragsbiologie bij de bonobo’s in Planckendael afrondde. Inmiddels geeft zij les aan het Sint Gabriëlcollege in Mortsel, in de laatste jaren van de middelbare opleiding. Samen met haar collega Heidi Gerard, die ook gidst in Planckendael, spoorden ze hun leerlingen aan om een mini-project op poten te zetten rond het observeren van aapjes in de zoo, onder de naam “Monkey Quest”. We laten de leerlingen Evert Wouters, Sarah De Rademaeker en Annelies Jacobs zelf aan het woord over hun ervaringen:


“Apen in gevangenschap hebben een veilig en rustig leventje. Dat lijkt allemaal mooi en aardig, maar zo’n kleine omgeving kan snel voor verveling zorgen. Daar wilden wij iets aan doen. Het Project Zelfstandig Werk “Monkey Quest” gaf ons de mogelijkheid de dagelijkse sleur van de apen te doorbreken. Ons doel was gedragsverrijking te ontwerpen voor verschillende soorten aapjes (bv. het witoorpenseelaapje, de kuifbaviaan, de springtamarin, dwergzijdeaapje… ). Elk groepje koos een aapje en ging aan de slag. We leerden eerst meer over de soorten en over de observatie van het gedrag van dieren. Na eerst ervaring opgedaan te hebben door observatie van de kleuterklassen in ons college, zijn we naar de Zoo van Antwerpen getrokken. Daar aangekomen vergaapten we ons aan de speelse wijze waarop de beestjes elkaar de vlooien uit de vacht pulkten. We werden vriendelijk ontvangen door het “enrichment-team” van de Zoo, installeerden ons voor de kooi van onze aapjes, namen ons observatiepapier en grepen naar de balpen. Turven werd ons lust en leven.”
Er volgden nog 2 tripjes naar de Zoo en uiteindelijk mochten de leerlingen hun eigen gedragsverrijking ontwerpen. De voorstellen werden gekeurd door Zoo-medewerker Jeroen Stevens en vrijwilligster Ingrid De Decker, waarna uiteindelijk vier ontwerpen uitgewerkt werden in samenwerking met de enrichment vrijwilligers en de verzorgers. “Vol verwachtingen gingen we een laatste keer naar de Zoo. In de kooien van “onze” aapjes hingen de speeltjes en nu konden we eindelijk zien hoe ze erop reageerden. Voor enkelen van ons was de teleurstelling groot: sommige aapjes liet het koud, anderen stonden zelfs doodsangsten uit. Nochtans was het project verre van een fiasco. De kuifbavianen hebben veel plezier gehad aan hun speeltje, ook al was het meteen stuk, en ook bij de uilenkopmeerkatten en goudkopleeuwaapjes was het een succesverhaal.” Volgens de verzorgers was het zeer zeker ook een geslaagd project, aangezien de tijd om de speeltjes voor de apen te maken véél korter was dan de tijd die zij er zelf vaak aan besteden.

Jeroen Stevens