dinsdag 6 oktober 2009

Gierende hormonen




De juiste partner vinden is niet enkel voor mensen ingewikkeld. Bij de monniksgier (Aegypius monachus), een bedreigde gierensoort waarvan de wilde populatie in Zuid Europa sterk is afgenomen, is een goede paarvorming al even moeilijk. Monniksgieren zijn enorme vogels, de grootste in Europa. Ze leven ook lang en wanneer een paar is gevormd, blijft het meestal bij elkaar “tot de dood hen scheidt”. Deze vogels leggen vaak niet meer dan één ei per seizoen en het jong wordt gevoed door beide ouders tot het, na ongeveer acht maanden, volwassen en onafhankelijk wordt.

In de natuur zijn ze erg succesvol bij de voortplanting. Driekwart van de gelegde eieren ontwikkelt tot volwassen vogels. Maar de kweekresultaten in zoos zijn verrassend laag, met een succes van slechts één op de vier eieren. De belangrijkste oorzaak daarvan is dat de meeste eieren die in zoos gelegd worden door monniksgieren niet bevrucht zijn en dat nog een aantal eieren accidenteel breekt tijdens het uitbroeden. Dat is natuurlijk erg jammer, ook gezien de enorme moeite die in heel Europa in het kweekprogramma wordt gestoken. Ongeveer 20 jaar geleden is er immers een internationaal kweekprogramma (‘European Endangered Species Programme’ of ‘EEP’) voor deze soort opgestart, gecoördineerd vanuit Dierenpark Planckendael in Mechelen. Een van de doelstellingen van dit programma is jonge vogels ook te herintroduceren in Zuid Europa. Deze vrijgelaten vogels doen het goed: Jean en Julia, twee monniksgieren geboren in Planckendael in mei 2008 en gelost in Zuid-Frankrijk in augustus 2008, zijn daar het levende bewijs van. De slechte kweekresultaten in Europese zoos in het algemeen werpen echter een schaduw over het herintroductieproject.

Binnen het CRC proberen we daar nu iets aan te doen door de genetische achtergrond van paarvorming bij monniksgieren te onderzoeken. Als we, zoals bij andere diersoorten reeds aangetoond, kunnen achterhalen en voorspellen welke genetische kenmerken belangrijk zijn voor een goede paarvorming, dan kunnen we die informatie gebruiken om meer compatibele koppels te vormen in dierentuinen. Een sterke paarbinding zal dan hopelijk leiden tot een hoger kweeksucces in deze monogame soort, zodat ook meer jongen beschikbaar zijn om uit te zetten in hun natuurlijke habitat.
lees meer >>


Katja Wolfram, Jill Shephard (CRC)

maandag 5 oktober 2009

Het zit 'm in de genen



Behoud van biodiversiteit is één van de kerntaken van de KMDA. Biodiversiteit omvat niet enkel de verscheidenheid van ecosystemen en soorten maar ook van het DNA binnen elke soort, de genetische diversiteit. Net zoals bij mensen, bestaan er immers genetische verschillen tussen individuen. Deze verscheidenheid is cruciaal voor het voortbestaan van soorten, omdat dit mogelijkheden biedt om zich aan te passen aan nieuwe omstandigheden (zie ook “In Den Beginne” van 12 februari).
Een conservatiegeneticus legt zich toe op het opvolgen en beheren van deze genetische diversiteit zowel in kweekprogramma’s in zoos (ex-situ) als bij de bescherming van wilde populaties (in-situ), en probeert zoveel mogelijk van die diversiteit te behouden. Wetenschappelijk onderzoek zoals wij dat in onze projecten uitvoeren is van groot belang voor het behoud van genetische diversiteit, en de link tussen ex-situ en in-situ is essentieel om dat goed te kunnen doen. De volgende voorbeelden laten zien dat nauwe samenwerking tussen onze wetenschappers in de Zoo en natuurbeschermers “in het veld” grote voordelen heeft.


Van de meeste kweekprogramma’s worden stamboeken bijgehouden, lijsten met zo veel mogelijk informatie van de dieren in zo’n kweekpopulatie. Wanneer stamboekdata onvolledig zijn, bijvoorbeeld wanneer we de vaders van een aantal dieren niet kennen, kan DNA-onderzoek het beheer van de kweekpopulaties ondersteunen. Zo wordt het DNA van goudkopleeuwaapjes (Leontopithecus chrysomelas) en babirusa (Babyrousa babyrussa) in ons laboratorium in de Zoo geanalyseerd om de onderlinge verwantschap van de dieren te bepalen. Door de genetische kenmerken te vergelijken met gegevens uit het veld, kunnen we bovendien de herkomst en relatieve verscheidenheid van de stamouders achterhalen, de dieren waarmee de kweekpopulatie ooit is gestart. Daartoe werken we samen met onderzoekers in Brazilië en Indonesië. Bovendien laat dit ons toe om de genetische diversiteit en populatiestructuur in het wild te bestuderen, en zo meer te leren over de nog levende aantallen (heel belangrijk bij bedreigde soorten), hun verspreiding en hun voortplantingsysteem. Die informatie is niet louter van wetenschappelijk belang, maar kan bovenal gebruikt worden door natuurbeschermers bij het ontwikkelen en verfijnen van actieplannen voor conservatie van wilde populaties.


Genetisch onderzoek bij zoodieren kan ook op andere manieren een belangrijke bijdrage leveren aan de bescherming van soorten. In het geval van het Kaapse zeepaardje (Hippocampus capensis), de ooievaar (Ciconia ciconia), de Maleise tapir (Tapir indicus), de monniksgier (Aegypius monachus) en de Andesbeer (Tremarctos ornatus), zijn de technieken en genetische merkers die in ons labo werden ontwikkeld aan de hand van stalen uit de Zoo, ook te gebruiken voor onderzoek van stalen uit het wild. Hiertoe werken KMDA-genetici nauw samen met lokale onderzoekers en natuurbeschermers. Anderzijds is het soms erg moeilijk om genetisch onderzoek in dierentuinen uit te voeren zonder een sterke inbreng vanuit het veld. Bij het onderzoek om onderscheid te kunnen maken tussen verschillende ondersoorten van soldatenara’s (Ara militaris) in het kweekprogramma zijn we aangewezen op referentiestalen uit het wild. Deze informatie is belangrijk om kunstmatige vermenging tussen ondersoorten te vermijden. Het zit 'm dus écht in de genen!
lees meer >>

Peter Galbusera (CRC)

dinsdag 29 september 2009

Leuk, leuk, leuk!!! ...bezoekers...


Heb je dat ook wel eens gehad!? Je staat voor een dierenverblijf in de Zoo, en één van de dieren komt naar je toe “om met je te spelen”. Veel mensen zullen je voor gek verklaren, maar zo heel gek is die gedachte niet eens. Zoobezoekers kunnen wel degelijke een positieve invloed hebben op het gedrag en het welzijn van de dieren. We spreken dan van verrijking. Maar de invloed van bezoekers kan ook negatief zijn en zich uiten in een toename van stressgedragingen of agressie tussen de dieren.

Om meer inzicht te verkrijgen in de effecten van bezoekers op verschillende diersoorten die eenzelfde verblijf delen, evalueerden we het gedrag van ezelspinguïns, koningspinguïns en macaronipinguïns in de Antwerpse Zoo. Uit de resultaten bleek dat - in tegenstelling tot wilde pinguïns - alle drie de soorten veel minder agressieve gedragingen vertoonden met toenemende bezoekersaantallen. Dit kan komen omdat pinguïns waakzamer zijn in aanwezigheid van bezoekers (en liever geen tijd besteden aan ruzie maken), of omdat bezoekers een verrijkend effect hebben. Dit laatste lijkt inderdaad het geval voor de ezelspinguïns. Zij bleken een sterke voorkeur te hebben om te zwemmen voor een groot onderwaterraam, vooral wanneer er méér bezoekers stonden. Maar die bezoekers bleken tegelijkertijd ook stresserend te kunnen zijn aan de andere kant van het verblijf. Wanneer er veel bezoekers stonden aan de rechterkant, waar ze hoog boven de zwemmende pinguïns uittorenen, verdween die duidelijke voorkeur, en leken de pinguïns de bezoekers te mijden. Dit laat duidelijk zien dat bezoekers zowel een verrijkende als stresserende invloed kunnen hebben op dierentuindieren. Maar de studie geeft ook aan dat de studie van bezoekerseffecten ons kanhelpen het welzijn van zoodieren te verbeteren én te waarborgen, en dat een juiste inrichting van het verblijf van groot belang kan zijn.


Melanie Rosenhart (VU Amsterdam) & Zjef Pereboom (CRC)

zaterdag 19 september 2009

Kus de kikker


Kijk eens naar je handen, misschien is het je al opgevallen? Bij mensen hebben mannen een ringvinger die wat langer is dan hun wijsvinger terwijl bij vrouwen net het omgekeerde waar is: de wijsvinger is meestal net iets langer dan de ringvinger. Wanneer je nu de lengte van je wijsvinger deelt door die van de ringvinger zal de bekomen ratio bij mannen lager zijn dan bij vrouwen. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat mannen tijdens hun ontwikkeling in de baarmoeder worden blootgesteld aan hogere concentraties van het mannelijk geslachtshormoon testosteron. De afgelopen jaren zijn er al verschillende studies uitgevoerd bij zoogdieren, reptielen en vogels maar men weet bijna niets over dit fenomeen bij amfibieën en met deze studie zal daar verandering in komen.
De verhouding van de tweede tot de vierde vinger of teen wordt aangeduid als de digit ratio of 2D:4D. Bij veel diersoorten verschilt 2D:4D tussen de twee geslachten en in dat geval spreken we van een seksueel dimorf kenmerk. Een verschil in de blootstelling aan geslachtshormonen tijdens de ontwikkeling ligt mogelijk aan de basis van dit seksueel dimorfisme in 2D:4D. Het probleem is echter dat bepaalde stoffen uit de omgeving de werking van geslachtshormonen nabootsen en zo kunnen leiden tot afwijkingen in de ledematen en geslachtsorganen van amfibieën.


Recent zijn we in de Zoo van Antwerpen een studie gestart om na te gaan in hoeverre zulke seksuele dimorfismen in 2D:4D voorkomen bij een variatie aan amfibieën. Vertegenwoordigers van de Anura (kikkers en padden) en Caudata (salamanders) worden onderzocht met behulp van een diervriendelijke methode: een combinatie van digitale foto’s en computer software laat toe om de lengtes van de tweede en vierde teen op te meten en de ratio te bepalen. De methode maakt een internationale samenwerking mogelijk waarbij bijdragen worden geleverd door verschillende instituten: Nordens Ark, Zweden, Perth Zoo, Australië, Diergaarde Blijdorp, Nederland, het Natuurhistorisch Museum in Londen, Verenigd Koninkrijk en het Russisch Biofysisch Instituut, Pushchino.

Natuurpunt, een Belgische stichting die het opneemt voor de natuur in Vlaanderen, leverde een grote bijdrage aan de studie. De Hyla werkgroep die onderdeel uitmaakt van deze vereniging houdt zich al sinds 1987 bezig met projecten die betrekking hebben op amfibieën en reptielen. Leden van Hyla in Brasschaat coördineren sinds 1995 jaarlijks “paddenoverzetten” tijdens de lentemigratie van padden, kikkers en salamanders naar hun voortplantingsgebieden. Barrières worden geplaatst samen met ingegraven emmers om te vermijden dat de amfibieën de weg oversteken en zo ten prooi vallen aan het verkeer. Bovendien zijn recent tunnels onder de weg aangelegd zodat de dieren niet meer noodgedwongen bovengronds moeten oversteken. Vele avonden gingen de Hyla leden op pad, gewapend met enkele emmers en zaklampen, om de dieren te verzamelen en veilig over te zetten. Ook kwamen meerdere scholen een handje toesteken om ‘s morgens amfibieën te verzamelen en ze een veilig heenkomen te bezorgen. De kinderen kregen op deze manier een beginnende kennis over het leven van een amfibie, het “kus-de-kikker-en-hij-verandert-in-een-prins” verhaaltje inbegrepen, en konden aan den lijve ondervinden wat conservatie inhoudt. Hyla maakte het voor ons mogelijk om grote aantallen van de gewone pad (Bufo bufo) en bruine kikker (Rana temporaria) te fotograferen.
Amfibieën zijn wereldwijd in crisis: verschillende rapporteringen van misvormde dieren, ernstige populatie afnamen en extincties hebben de laatste jaren tot bezorgdheid geleid. Onderzoek dat informatie kan leveren over de kwaliteit van het milieu waarin de dieren leven draagt bij aan conservatiedoeleinden. Amfibieën bezitten een permeabele huid die makkelijk stoffen uit de omgeving opneemt, ook verblijven ze tijdens hun leven vaak zowel in het water als in terrestrische omgevingen. Effecten op amfibieën zouden dan ook een goede weerspiegeling zijn van schadelijke stoffen uit het omringend milieu, men beschouwt ze met andere woorden als zeer goede bio-indicatoren. Indien de digit ratio blijkt te verschillen tussen mannetjes en vrouwtjes, kan deze ratio mogelijk als aanwijzing gebruikt worden om een slechte omgevingskwaliteit op te sporen. Zo kunnen amfibieën misschien wel niet alleen zichzelf maar ook de mens helpen want we leven immers allen in dezelfde omgeving.
Anke Stolk (UA) , Robert Browne (CRC)

dinsdag 1 september 2009

Kets valt in de prijzen


In november zal opnieuw de jaarlijkse Ketsprijs voor de biologie uitgereikt worden. De Ketsprijs biedt Vlaamse en Waalse masterstudenten sinds 2007 de mogelijkheid om op grond van een samenvatting van hun master thesis mee te dingen naar een van congresbeurzen twv 1200 euro die door de KMDA en Parc Paradisio beschikbaar worden gesteld. De zes als beste geselecteerde kandidaten stellen hun thesis voor tijdens een symposium voor een jury van Vlaamse en Waalse professoren.
Ondanks dat de prijs in haar huidige vorm pas twee jaar bestaat begint er binnen de Belgische universitaire wereld belangstelling voor te komen. Maar om het voortbestaan van de prijs te kunnen garanderen en de communicatie over het bestaan van de prijs en de doelstellingen ervan te verbeteren werken we vanaf dit jaar samen net de Koninklijke Belgische Vereniging voor Dierkunde (KBVD). Samenwerking met de KBVD is een strategisch goede stap om de Ketsprijs een breder draagvlak en meer bekendheid te geven binnen de academische wereld in België. Vanaf volgend jaar zal de KBVD nog een extra beloning uitreiken. De winnaar ontvangt dan naast de huidige prijs een vergoeding voor de reis- en registratiekosten voor deelname aan het jaarlijkse Benelux Congress of Zoology (afwisselend georganiseerd in België en Nederland) inclusief een tijdsslot voor een heuse wetenschappelijke presentatie tijdens de algemene vergadering.
Jacques Kets (1785-1865), de eerste directeur van de KMDA was een befaamd zoöloog en taxidermist - hij had onder meer het paard van Willem van Oranje opgezet dat in 1815 was gedood bij de Slag van Waterloo - en bezat een uitgebreid naturaliënkabinet en een belangrijke natuurhistorische bibliotheek aan de Kloosterstraat te Antwerpen. lees meer >>


Zjef Pereboom (CRC)

vrijdag 24 juli 2009

Wat een dode poema vertelt


Een laagvliegende troep kalkoengieren die in cirkels rondvliegt in het veld voorspelt veelal niet veel goeds …Maandagmorgen 20 juli was het onderzoeksteam van Project BioBrasil op weg naar het veld. Op een 100 tal meter van het veldstation zagen ze ineens een hele troep van de bekende zwarte vogels op en vlak boven de grond, wat erop wees dat een dier dichtbij gestorven was. Bij het naderen wachtte een verrassing… aan de rand van de weg lag een dode poema, een jong vrouwtje. Het kadaver was nog in relatief goede staat: niet opgeblazen en vooralsnog geen lijkgeur (doch dat zou snel veranderen…). Blijkbaar was het dier in de vroege morgenuren gestorven. Een vaag spoor in het struikgewas op de plaats waar ze lag suggereerde dat ze zich vanuit een plek in het woud naar de weg had gesleept en daar gestorven was. De ogenschijnlijk goede conditie van het dier, en een ronde opening in de borststreek deed ons vermoeden dat het hier misschien niet om een natuurlijke dood ging…

Gelukkig hebben we een dierenartse in het team, Lilian Catenacci, dus die werd onmiddellijk opgetrommeld om de necropsie te verrichten. Na het nemen van een aantal foto’s begonnen we eraan…Allereerst deed Lilian een extern onderzoek. Dat leverde geen sporen op van geweld, een gevecht met andere dieren, of gebroken botten die op een doodsoorzaak zouden kunnen wijzen. De huid was glanzend dik, en het dier leek perfect gezond toen het stierf. Er waren wel drie gaten in de huid, één ter hoogte van de borststreek, één op binnenkant van de rechtervoorpoot en één op de rechterachterpoot. Waar de twee laatste enigszins langwerpig waren en wellicht het werk van kalkoengieren, was de opening in de borststreek perfect rond.

Een volgende stap was het verwijderen van de huid. Die zouden we voorbereiden en doneren aan de plaatselijke universiteit van Santa Cruz. Daarbij vielen ons drie zaken op:

1) Op de plaats van de wonde in de borststreek was de spier en het weefsel eronder zeer sterk beschadigd. Aan de andere kant, op de plaats van de wonde aan de poten, was dit niet het geval. Opnieuw een suggestie dat de wonde in de borststreek een andere oorzaak had dan die aan de poten. 
2) De zone van de borststreek en de nek waren zeer sterk doorbloed, terwijl de rest van het lichaam eerder bleek was. Dit suggereerde een interne bloeding en een versterkte bloedstroom naar de borst en de hersenen, ten koste van de bevoorrading van de rest van het lichaam. 
3) Het dier was in een zeer goede conditie: stevige vetlaag, goed ontwikkelde spieren, sterk ontwikkelde ligamenten.
Na het verwijderen van de huid sneed Lilian het dier open om het interne onderzoek te doen. In de borststreek had er een heel sterke bloeding plaatsgehad. Vanaf de opening in de huid van de borststreek was er een kanaal gevormd tot aan het borstbeen. Dit suggereerde dat een projectiel met grote impact in het lichaam binnengedrongen was, en daar een extensieve interne bloeding veroorzaakt had. Deze bloeding heeft de dood van het dier tot gevolg gehad. We zochten nog naar een kogel in het lichaam doch vonden er geen.
Onderzoek van de maaginhoud toonde aan dat het vrouwtje net gegeten had toen ze gestorven was. Er zat nog onverteerd rood vlees in de maag. Opnieuw een suggestie dat ze voor de rest in perfecte gezondheidsstaat verkeerde.
Het kanaal waarlangs het projectiel was binnengedrongen vertoonde geen brandsporen, wat erop kan wijzen dat het om een pijlwonde ging. Hoewel weinig frequent zijn er nog jagers in de omgeving die deze methode gebruiken, omdat ze geluidloos is. Na het schot volgen ze het gewonde dier en trekken de pijl uit de wonde nadat het gestorven is. Op die manier laat de methode geen enkel spoor na.

Dit dier is dus hoogstwaarschijnlijk het slachtoffer geworden van een jager. Het reservaat zou een veilige haven moeten zijn, maar dat is duidelijk niet altijd het geval. Het onderzoeksteam registreert sinds een tweetal jaren regelmatig de aanwezigheid van vreemde personen, geweerschoten, jachthonden en vallen in het studiegebied, wat ook het lopende onderzoek op de goudkopleeuwaapjes niet ten goede komt. Het gaat hier niet om jagers die jagen voor hun voedsel, doch zogenaamde ‘plezierjagers’ die het aangeschoten dier niet altijd meenemen. Verantwoordelijke voor de bewaking van het reservaat is een team van het Instituut Chico Mendes voor Biodiversiteit. Doch een auto die regelmatig in panne ligt, een slechte uitrusting van de wachters van het reservaat, en gebrek aan mankracht maken dat dit niet voldoende kan gebeuren. We hopen dat de dood van dit vrouwtje en de wijze waarop een aanleiding zal zijn om het probleem strenger aan te pakken.

Kristel De Vleeschouwer, Lilian Catenacci en Carlos Cordeiro.

maandag 15 juni 2009

Op de Europese toer


Het eerste succes is binnen. We gaan Europees.....! Vorig jaar heeft Peter Galbusera meegewerkt aan de oprichting van een international consortium van Europese wetenschappers In het kader van het Europese 7e Framework Programma (FP7). Het consortium met het acroniem CONGRESS (Conservation Genetic Resources for Effective Species Survival) heeft een beursaanvraag gedaan bij de EU voor één miljoen euro. Zojuist hebben we een bericht ontvangen van het Europese Directoraat Generaal voor Research dat ons voorstel goedgekeurd werd.

Doelstelling van het project is een platform te ontwikkelen voor een verbetering van de dialoog tussen wetenschappers en beleidsmakers in de natuurbehoudsector. In grote lijnen willen we proberen te bereiken dat de resultaten van populatiegenetisch conservatieonderzoek beter gebruikt kunnen wordt door beleidmakers op het gebied van natuurbeheer in de EU. Dat gaan we doen door oa een webportaal te ontwikkelen waar onder meer onderzoeksgegevens en databases beschikbaar gesteld worden voor beleidsmakers. Daarnaast zullen we samen met die beleidsmakers workshops en congressen organiseren om die informatie uit te wisselen. Vanuit België zal naast de KMDA ook het agentschap voor Natuur en Bos betrokken worden in het consortium.

De KMDA is maar een kleine partner in het geheel. Tot onze specifieke taken in het project behoort de organisatie van het openingscongres van het project begin 2010 in Antwerpen, en de organisatie van een workshop voor het Nederlands taalgebeid waarbij we zoveel mogelijk wetenschappers en beleidsmakers uit Nederland en België bijeen gaan brengen.


Zjef Pereboom (CRC)

vrijdag 5 juni 2009

Nieuwe mensen, nieuwe zaken


Deze zomer starten er in ons onderzoekscentrum CRC maar liefst 3 nieuwe doctoraatsprojecten. Op 1 juli start de Belgische student Charles-Albert Petre aan een onderzoek binnen het Project Grands Signes in Kameroen. Charles-Albert zal zich buigen over de rol van gorilla’s bij het herstel van selectief gekapte tropische bossen als gevolg van de verspreiding van zaden in hun mest. Het project is een samenwerking met een onderzoeksgroep van het Laboratoire de foresterie tropicale et subtropicale in Gembloux. lees meer >>>

Eveneens in juli begint de Kameroenese student Denis Ndeloh Etiendem aan een doctoraatsproject rond de biologie en genetica van z.g. Cross River gorilla’s in Kameroen en Nigeria, een gorilla soort waar nog maar erg weinig van geweten is. De KMDA werkt in dit project samen met de Wildlife Conservation Society uit New York en de Vrije Universiteit van Brussel. Voor zijn eerste jaar heeft Denis een beurs van National Geographic Society, en voor de overige jaren ontvangt hij geld van de Vlaamse Interuniversitaire Raad voor Universitaire Ontwikkelingsamenwerking (VLIR-UOS). lees meer >>>

De derde doctoraatsstudent is de Duitse Katja Wolfram die vanaf september een populatiegenetische studie doet aan de monniksgieren in het EEP kweekprogramma en de geherintroduceerde populaties in Zuid Europa. Zij wil in samenwerking met de Universiteit van Antwerpen en de University of East Anglia in het Verenigd Koninkrijk onderzoeken of er een genetische basis is voor partnerkeuze bij monniksgieren. De uiteindelijk doelstelling is om te adviseren over het beheer van deze bedreigde diersoort in dierentuinen en de natuur. lees meer >>>

Zjef Pereboom

dinsdag 5 mei 2009

Vreemdgaan loont....

…. maar vrouwen hebben het voor het zeggen.

In de tropische serre in Azië in Planckendael houden we twee soorten gibbons. Net als in de meeste dierentuinen worden gibbons bijna altijd in paartjes gehouden, met soms één of enkele van hun jongen. We proberen hiermee de natuurlijke groepssamenstelling na te bootsen: één volwassen mannetje, één volwassen vrouwtje en, al dan niet hun nakomelingen. Mannetjes en vrouwtjes komen hun grote liefde tegen wanneer ze uit het oudergezin vertrekken en in hun eentje rondzwerven. Vaak vormt zich dan een langdurige paarband, en het koppel vormt dan een gezamenlijk territorium. Het ideaal van “
Liefde op het eerste gezicht” en “Trouw tot in de dood”. Maar recent onderzoek lijkt er toch op te wijzen dat gibbons het niet zo nauw nemen met de ‘eeuwige echtelijke trouw’.

De meeste primatensoorten vormen sociale groepen van meerdere vrouwen, onder andere omdat ze dan 1) voedselbronnen kunnen verdedigen tegen andere primaten, 2) in groepen een kleinere kans hebben gepakt te worden door een roofdier (“meer ogen zien meer”). Mannen verbinden zich aan zulke groepen opdat ze kunnen paren met de vrouwen in de groep, met als bijkomend voordeel dat ze de vrouwen en jongen kunnen beschermen.

Doordat gibbons vrij gespecialiseerd zijn in hun voedingsgewoonten (rijp fruit), en de verdeling van rijp fruit nogal verspreid is, kunnen vrouwen het zich niet veroorloven om - zoals bij veel primaten wel het geval is - in sociale groepen van meerdere vrouwen te leven, omdat er dan te veel voedselconcurrentie zou optreden. De ander verklaring waarom de meeste primaten in grote groepen zouden leven - namelijk predatievermijding - gaat ook niet op voor gibbons omdat de voordelen van het vermijden van roofdieren niet opweegt tegen de nadelen van het concurreren om voedsel.

Traditioneel worden gibbons gezien als monogame dieren die hun hele leven bij elkaar blijven, en enkel met hun eigen partner paren. Het sociale systeem van gibbons is echter veel flexibeler dan altijd gedacht werd. Sinds een jaar of 10 verschijnen er publicaties waarin gesteld wordt dat gibbons het niet zo nauw nemen met de ‘eeuwige echtelijke trouw’. Langdurige studies (in withandgibbons en siamangs) hebben uitgewezen dat die paartjes niet noodzakelijk levenslang bij elkaar zijn. Volwassen mannetjes verlaten hun partner soms tijdelijk om met andere vrouwtjes te paren. Soms kan het vertrek permanent zijn en er een nieuwe paarband ontstaan, bijvoorbeeld wanneer een vrouwtje in het naburige territorium haar mannelijke partner heeft verloren (ofwel door dood ofwel omdat die man ook vertrokken is). Mannetjes kunnen ook een territorium én een vrouwtje verwerven door binnen te dringen in een naburig territorium en geleidelijk aan het oude mannetje weg te jagen. In die periode kan het vrouwtje zelf met beide mannen paren.

Men veronderstelt dat gibbonmannen en -vrouwen ‘vreemd gaan’, of een geheel nieuwe paarband aangaan om te kunnen paren met een partner van een hogere kwaliteit. Voor mannen loont het bovendien om met meerdere vrouwen te paren omdat hun dat ook meerdere nakomelingen kan opleveren in een korte tijd (de eerste paar jaren na een zwangerschap is een vrouw namelijk niet receptief). Voor vrouwen is het zinvol met meerdere mannen te paren vanuit het perspectief van infanticidevermijding.


Wat is infanticide?
Infanticide, ook wel kindermoord genoemd, is het gedrag waarbij een volwassen dier een van moederlijke zorg afhankelijk jong (een infant) van de eigen diersoort doodt. Infanticide komt voor bij een groot aantal diersoorten waaronder muizen, leeuwen, zebra's, en is veel beschreven voor verschillende primatensoorten. De plegers van infanticide zijn doorgaans de mannetjes.

Waarom plegen mannen infanticide?
Vrouwtjes die hun jongen nog zogen zijn meestal onvruchtbaar, omdat de melkvloed de maandelijkse eisprong onderdrukt. Nadat het infant gespeend is, of als de frequentie van zogen vermindert, komt de eisprong doorgaans weer snel op gang. Ditzelfde effect treedt op als een infant vóór het einde van de speentijd overlijdt, en het vrouwtje is dan binnen de kortste keren weer vruchtbaar. Voor een mannetje dat niet de vader is van een jong kan het dus interessant zijn een zogend kind te doden omdat de moeder dan sneller vruchtbaar is, en hij een eigen jong kan verwekken. Bovendien kan een vrouw ook niet langer investeren in de nakomelingen van een andere man.

Wat doen vrouwen hiertegen?
Voor vrouwen is infanticide altijd nadelig, en vrouwtjes hebben bijgevolg verschillende tegenstrategieën ontwikkeld. Eén van de meest succesvol geachte strategieën bij primaten is vaderschapsverwarring. Deze theorie gaat er van uit dat wanneer vrouwen regelmatig met meerdere volwassen mannen paren, deze mannen geen idee hebben wie de vader is van een jong. En als je niet weet of je wél of niét de vader bent loont het dus ook niet om een kind te doden.




Infanticide komt inderdaad niet of nauwelijks voor bij gibbons, wat er op zou kunnen wijzen dat vrouwen door hun promiscuïteit effectief infanticide kunnen voorkomen. Een andere aanwijzing dat er sprake is van effectieve vaderschapsverwarring is dat mannen - of ze nou wel of niet de vader zijn - op een ‘vaderlijke’ manier met de jongen omgaan. Het feit dat vaders niet weten of een jong nou wel of niet zijn éigen jong is, kan ook verklaren waarom mannen soms niet terugkeren naar hun vrouw, zelfs als hij haar nieuwe partner kunnen zien of horen. Hun jongen worden toch wel verzorgd door die andere man. En zo blijkt dat - ook al gaan de mannen hun boekje te buiten - het uiteindelijk toch de vrouwen zijn die aan het langste eind trekken.

Zjef Pereboom

zondag 29 maart 2009

Een ARK in de diepvries

De Amphibian ARK is een initiatief van natuurbeschermingsorganisaties en zoos en om te ijveren voor conservatie, educatie en onderzoek voor het behoud van amfibieën. We weten echter nog veel te weinig van deze bijzondere diergroep om snel actie te kunnen ondernemen. Voor de korte termijn is daarom de doelstelling om zoveel mogelijk bedreigde amfibieënsoorten in veiligheid onder te brengen in zoos en aquaria, totdat we een oplossing gevonden hebben voor de crisis. Een heuse ARK in zoveel mogelijk zoo in de wereld. Evenwel, we kunnen onmogelijk alle bedreigde diersoorten een veilig heenkomen kunnen bieden in dierentuinen.

Om die reden is het CRC samen met enkele andere instituten bezig met de ontwikkeling van nieuwe technieken voor het minimaliseren van het aantal dieren dat nodig is voor de instandhouding van een soort. Cryopreserveren (bevriezing) van biologische materialen zoals weefselcellen, zaadcellen of zelfs bevruchte eicellen biedt de beste manier om dit te bereiken. Bij 80 graden onder nul, of nóg lagere temperaturen kunnen bevruchte eicellen of embryo’s lang bewaard worden. Net als in vruchtbaarheidsklinieken willen we deze techniek gebruiken om van een groot aantal bedreigde amfibieënsoorten voortplantingscellen op een veilige plek te bewaren. Moest het nodig zijn kunnen we ze ooit gebruiken om ernstig bedreigde amfibieën weer terug te brengen.
 

Zjef Pereboom - CRC

vrijdag 27 februari 2009

Eerlijke choco uit Kameroen


Het ‘Projet Grands Singes’ (PGS) van KMDA is een uniek wetenschappelijk project dat onderzoek, natuurbehoud en duurzame ontwikkeling combineert in één programma. Het hoofddoel van PGS is de bescherming van chimpansees en gorilla’s door middel van wetenschappelijk onderzoek, en duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen te stimuleren van bij de lokale bevolking. De plattelandsbevolking in het zuidoosten van Kameroen is zeer arm en steunt grotendeels op de hen omringende natuurlijke hulpbronnen voor voedsel en inkomsten. Samen met de lokale bevolking en lokale overheden zoekt PGS naar alternatieve inkomensbronnen om zo de nood aan commerciële jachtpraktijken te verminderen.

Een van onze meest recente projecten is een programma om de cultivering van cacao te verbeteren in de plattelandsdorpen in de Noordelijke Periferie van het Dja Biosfeer Reservaat waar onze wetenschappers hun onderzoek doen. Voor dat project heeft het CRC een beurs ontvangen van €19.000 van het EFICO fonds, een bedrijfsfonds onder beheer van de Koning Boudewijn Stichting.


De cultivering van een lucratieve variëteit van cacao kan helpen om de armoede te verminderen en het negatieve effect op het milieu te reduceren door duurzame ontwikkeling te stimuleren. Met het geld van EFICO zal PGS materialen en technische trainingen voorzien in samenwerking met Dr Dibog van het IRAD, het Kameroenese onderzoeksinstituut voor agronomie. Samen met de bevolking worden zo nieuwe cacaoplantages gecreëerd, om enerzijds de levensstandaard te verbeteren en daarnaast bij te dragen tot de bescherming van de natuurlijke hulpbronnen en mensapen.

Nikki Tagg, Zjef Pereboom

donderdag 12 februari 2009

In den beginne


Vandaag is het precies 200 jaar geleden dat Charles Darwin (1809-1882) werd geboren, en dit jaar werd 150 jaar zijn beroemde werk “On the Origin of Species” gepubliceerd. Darwin is daarmee de grondlegger van de evolutietheorie, één van de krachtigste en invloedrijkste ideeën ooit geformuleerd, omdat de theorie een eenvoudige wetenschappelijke verklaring geeft voor de ontwikkeling van het leven en haar verscheidenheid.
Darwin wees ons op het belang van variatie, natuurlijke selectie en overerving als de basisprincipes van evolutie. Dieren van eenzelfde soort vertonen altijd kleine verschillen, en die variatie leidt er toe dat sommige dieren beter aangepast zijn aan hun omgeving. Natuurlijke selectie zorgt ervoor dat enkel dieren met voordelige eigenschappen kunnen overleven en zich voortplanten. Overerving maakt dat zulke eigenschappen doorgegeven worden aan volgende generaties. Evolutie door natuurlijke selectie maakt het mogelijk dat dieren- en plantensoorten zich telkens weer kunnen aanpassen aan veranderende omstandigheden.

Voor de KMDA speelt de evolutietheorie een centrale rol in onze dagelijkse werking. Als zoo werken wij immers met het resultaat van miljoenen jaren van evolutionaire aanpassingen. De diversiteit van soorten in onze tuinen is als het ware een afspiegeling van de diversiteit van het leven op aarde. Maar nog belangrijker, onze werkmethoden zijn een rechtstreeks gevolg van de inzichten die Darwin ons bijbracht.Concreet betekent dit voor onze dagelijkse werking dat we in zoopopulaties zoveel mogelijk natuurlijke variatie willen behouden. Variatie biedt immers de beste overlevingskansen. Ons equivalent van natuurlijke selectie is het gecoördineerd kweken van dieren door te selecteren welke dieren zich voortplanten en welke niet. Door het juiste beheer van kweekprogramma’s dragen we er zorg voor dat een hoog percentage genetische variatie bewaard blijft in een soort. Dat houdt bijvoorbeeld in dat we soms met succesvolle, goed reproducerende dieren niet meer verder kweken (omdat hun “eigenschappen” al oververtegenwoordigd zijn) en dat we alles op alles zetten om met andere dieren zoveel mogelijk te kweken. We nemen dus niet enkel voldoening met de “aantallen” dieren in onze parken, maar ook met de hoeveelheid genetische variatie die we kunnen handhaven. Door regelmatige uitwisselingen tussen bloedlijnen en dierentuinen zorgen we dat die variatie op grotere schaal behouden blijft, en voorkomen we dat we alle spreekwoordelijke eitjes in één mandje leggen. Ook de wetenschappers van het CRC gaan bij hun onderzoek en de wetenschappelijke ondersteuning van het werk van Zoo en Planckendael uit van de principes uit de evolutietheorie. Alle aspecten van de biologie waarmee zij dagelijks in onze parken en onderzoeksprojecten mee in aanraking komen zijn immers tot stand gekomen door evolutionaire processen.

Zjef Pereboom

maandag 22 december 2008

De Baas in huis

In 1913 deed de Noorse onderzoeker Sjelderupp-Ebbe een belangwekkende ontdekking. Hij was als kind al gefascineerd door zijn kleine toom kippen en hield zorgvuldig bij welke kip door wie werd gepikt. Uiteindelijk bleek uit deze aantekeningen dat er een pikorde bestaat – of zoals het later meer algemeen werd genoemd, een dominantiehiërarchie.

Intussen weten we dat dominantiehiërarchieën bij heel veel in groepen levende diersoorten bestaan en dat die soms belangrijke invloed kan hebben op het leven van dieren. Stress en reproductief succes, het kan allemaal afhangen van je plaats in de dominantiehiërarchie. Maar het komt bij het bepalen van zo een hiërarchie niet altijd alleen neer op zorgen dat je pikt en niet gepikt wordt, zoals bij de kippen van Sjelderup-Ebbe. Vooral bij apen en mensapen wordt de hiërarchie beïnvloed door een subtiel en complex netwerk van sociale relaties. Bovendien blijkt dat dominantie niet altijd even sterk uitgesproken is, zelfs bij diersoorten die nauw verwant zijn aan elkaar. We kunnen spreken van “despotische” soorten, waarbij dominantie sterk uitgesproken is, maar er zijn ook “egalitaire soorten” waarbij rangverschillen niet zo erg groot zijn en waar de invloed van dominantie wellicht ook minder sterk is. Tijdens mijn doctoraatsstudie naar mannelijke bonobo’s ontwikkelde ik, samen met Hilde Vervaecke en statisticus Han de Vries van de universiteit van Utrecht, een methode om de dominantiestijl gemakkelijker te kunnen beschrijven. Die methode werkt alvast voor bonobo’s – nu is de vraag of ze ook voor andere diersoorten bruikbaar is. Handig als je onderzoek doet in de dierentuinen van Antwerpen en Planckendael – want daar heb je natuurlijk “proefkonijnen” genoeg.

Jeroen Stevens

zondag 21 december 2008

Inteelt bij bonobo's


De KMDA is als stamboekhouder en coördinator van het bonobo kweekprogramma verantwoordelijk voor het opvolgen van alle bonobo’s die wereldwijd in dierentuinen leven. Wij geven deze dierentuinen advies over welke dieren al dan niet mogen kweken om onder andere inteelt tussen nauw verwante dieren (vader-dochter of broer-zus) zoveel mogelijk te beperken. Bij veel diersoorten kan inteelt namelijk leiden tot verminderde groei of lagere vruchtbaarheid, en zelfs de kans het eerste levensjaar te overleven sterk verkleinen. Het vermoeden dat Vifijo in Planckendael al twee nakomelingen heeft gekregen met zijn moeder Hortense leidde ertoe dat hij naar een bonobogroep in Berlijn werd gestuurd om inteelt te voorkomen.

Om te onderzoeken of inteelt bij bonobo’s vaak voorkomt en de gevolgen daarvan op grotere schaal te bestuderen, hebben wetenschappers van het CRC verleden jaar een gedetailleerde analyse uitgevoerd van het internationale stamboek. Daarbij werd een techniek gebruikt om op grond van DNA uit haarstalen en bloed vast te stellen wie de vaders van de jonggeboren bonobo’s waren.
Op grond van het stamboekonderzoek en de DNA analyses werden er 17 gevallen van inteelt ontdekt bij 142 bonobo’s die sinds 1962 in dierentuinen geboren zijn. Dit had, zoals verwacht, nadelige gevolgen voor die dieren. Het bleek dat deze ingeteelde bonobo’s relatief minder vaak het eerste levensjaar overleefden in vergelijking met nakomelingen van niet verwante bonobo’s. Echter op de lange termijn loopt de overleving van de bonobopopulatie geen enkel gevaar als wij als coördinator van het programma onze taak naar behoren blijven uitvoeren.

Zjef Pereboom

Van Coillie, S, P Galbusera, A Roeder, W Schrempp, J Stevens, K Leus G. Reinartz and J. Pereboom. (2008) Molecular paternity determination in captive bonobos and the impact of inbreeding on infant mortality. Animal Conservation. 11 306–312 doi:10.1111/j.1469-1795.2008.00186.x

Vadertje ooievaar


Voor het onderzoek aan de ooievaars van Planckendael, is 2008 een buitengewoon jaar geworden. Eind vorig jaar arriveerde in het CRC onderzoeksteam een Australische wetenschapper die zich 3 jaar lang zal bezighouden met het bestuderen van de ooievaars. Tot nu toe richtte het onderzoek aan de ooievaars zich uitsluitend op de bepaling van genetische relaties tussen de vogels in Planckendael aan de hand van het DNA uit hun veren. Jill is echter dit jaar begonnen met de uitbreiding van het onderzoek op Europese schaal, waarbij we zowel het DNA van ooievaars uit West- als die uit Oost Europa gaan bestuderen. De belangrijkste doelstelling is om te onderzoeken wat het effect is geweest van de herintroductieprojecten die sinds de jaren zestig hebben plaatsgevonden in heel Europa. Meer in het bijzonder kunnen we nu in detail onderzoeken waar de Planckendael ooievaars vandaan komen en waar “onze” vogels naar toe vliegen. Bovendien kunnen we op grond van deze informatie en historische gegevens, die verder aangevuld worden met ringgegevens en klimatologische data, veranderingen detecteren in het voorkomen van ooievaars in Europa en veranderingen in de jaarlijkse trek naar het zuiden. lees meer >>


Jill Shephard | Zjef Pereboom | CRC

woensdag 3 december 2008

Rooms with a view

Sinds enkele maanden wordt er hard gewerkt in de Zoo aan de bouw van nieuwe faciliteiten ‘achter de schermen’ voor het kweken en bestuderen van bedreigde amfibieën. In totaal worden er 4 nieuwe gespecialiseerde kamers ingericht.

De Iraanse kamer is in het bijzonder ingericht voor de huisvesting van reddings- en onderzoekscollecties van salamanders en andere amfibieën van Iran. De amfibieën van de Iraanse hoogvlakte worden sterk bedreigd door de klimaatverandering, welke vooral van invloed is op watersalamanders. In deze ruimte met speciale watertanks en filtersystemen verwachten we broedpopulaties in stand te kunnen houden en studies te doen ter verbetering van de voortplanting en de verzorging van deze dieren.

Grenzend aan de Iraanse kamer is de Afrikaanse kamer met wormsalamanders en andere amfibieën uit Centraal Afrika. Kameroen heeft de hoogste verscheidenheid (biodiversiteit) van amfibieën in Afrika, waaronder de ernstig bedreigde Lake Oku kikker. In de Afrikaanse kamer, zal de KMDA een kweekpopulatie van deze dieren huisvesten samen met broedpopulaties van andere ernstig bedreigde amfibieën uit Centraal Afrika. Door hun zeldzaamheid en onbekendheid vormen wormsalamanders een speciale groep binnen het KMDA reddingsprogramma. Zij bieden ons bovendien een unieke onderzoeksmogelijkheid. Nooit eerder werden hun gedrag en voortplanting uitvoerig bestudeerd. Samenwerking met Nederlandse en Vlaamse universiteiten biedt ons de mogelijkheid nog nooit onderzochte chemische stoffen uit hun huid te onderzoeken.

De speciaal gebouwde kamer voor de algemene collectie is hoofdzakelijk bedoeld om kikkers uit tropisch Amerika te huisvesten. In deze kamer met haar zeer hoge temperatuur en luchtvochtigheid houden we kleine onderzoeksgroepen en kweekpopulaties van bedreigde pijlgifkikkers en andere kleine kikkersoorten. Speciaal voor wetenschappelijk onderzoek naar de ontwikkeling van kikkervisjes is ook er een klein labo voorzien in deze kamer. Ter ondersteuning van de voortplanting bevat de kamer vier regentanks die worden gebruikt voor nabootsen van regenbuien voor het stimuleren van de voortplanting.

De vierde kamer zal worden gebruikt voor korte-termijn studies zoals de rol van ultraviolette straling op de ontwikkeling van kikkervisjes, of voor het verbeteren van de verzorging en voortplanting van amfibieën.

Met deze waaier van uiteenlopende en gespecialiseerde kamers heeft de KMDA de mogelijkheid te voorzien in een breed scala van belangrijke kweek- en reddingsprogramma's voor amfibieën, zowel op wetenschappelijk gebied als voor de actieve bescherming van amfibieën en hun natuurlijke leefomgeving.

Robert Browne | Zjef Pereboom | CRC

dinsdag 2 december 2008

Onderzoek en de KMDA

Wetenschappelijk onderzoek is een van de manieren voor de KMDA om bij te dragen aan conservatie. Voor die onderzoeksopdracht heeft de KMDA de beschikking over een eigen volledig toegerust onderzoekscentrum. Het Centre for Research and Conservation (CRC) bestaat uit een team van biologen, veeartsen, laboranten en studenten die zich bezig houden met wetenschappelijk onderzoek dat ten eerste kan helpen dieren op een verantwoorde manier te houden in dierentuinen, en ten tweede een bijdrage kan leveren aan het voortbestaan van een diersoort en hun natuurlijke leefmilieu.

Seks in de hoofdrol
De meest voor de hand liggende studieobjecten zijn natuurlijk diersoorten waar de KMDA al een boontje voor heeft, de dieren waar wij het kweekprogramma van beheren. Maar we werken ook met soorten waarin de KMDA een belangrijke rol speelt omdat we ofwel veel ervaring hebben met de kweek, of omdat we een groot deel van de totale populatie in huis hebben, of indien er een nood is aan onze specifieke expertise. Het meest vermaard zijn natuurlijk de bonobo’s van Planckendael. We onderzoeken daar onder andere hoe bonobo’s hun familieruzies oplossen en hoe zij zich met elkaar verzoenen nadien. Daarnaast wordt er momenteel hard gewerkt aan hoe bonobo’s hun “huishouden” organiseren en wat de rol van partnerkeuze is bij het voortplantingssucces van bonobo’s. Ondanks dat we al veel over bonobo’s geleerd hebben is het weten we nog steeds niet waarom sommige vrouwen een voorkeur voor een bepaald mannetje lijken te hebben. Dit zijn vragen die voor het kweekprogramma van bijzondere waarde zijn, en dit soort studies een voorbeeld voor andere kweekprogramma’s. Zo heeft het onderzoek naar het belang van partnerkeuze zich ook uitgebreid naar de monniksgieren. Het door de KMDA gecoördineerde kweekprogramma fungeert als bron voor herintroductieprojecten van monniksgieren in Frankrijk en Spanje, maar het huidige teleurstellende kweeksucces is een serieus gevaar voor het slagen van het volledige conservatieproject voor de soort. Uit ons onderzoek blijkt onder andere dat de tegenvallende kweekresultaten mogelijk veroorzaakt worden doordat wij niet weten hoe de dieren best te koppelen. Monnikgieren hebben immers een levenslange paarband, en nemen niet de eerste de beste als lief.

Stappen is soms een probleem
Binnen de KMDA wordt in de eerste plaats ook geprofiteerd van de beschikbaarheid van een unieke collectie dieren om experimentele gegevens aan te reiken in de discussies rond de evolutionaire oorsprong van het rechtop lopen bij onze verre voorouders. Ook hier spelen de bonobo’s en ook de gibbons een glansrol. De problemen die zij ondervinden bij het stappen kunnen ons inzicht verschaffen in onze eigen geschiedenis op twee benen. Daarnaast worden nieuwe technieken ontwikkeld en gebruikt die worden ingezet op bewegings-problematieken van meer praktische aard die specifiek zijn voor de zoo-wereld. Zo wordt gewerkt aan onderzoek naar de relatie tussen de aard van de bodem in een verblijf en hoef- en gewrichtsproblemen bij okapi’s. De onderzoeksmethoden die werden uitgewerkt voor deze studie, alsook de opgeleverde resultaten, zijn van grote waarde voor de huisvesting van hoefdieren in het algemeen.

DNA vul gaten in onze kennis
Het moderne DNA-labo biedt de KMDA een veelvoud aan praktische toepassingen en nieuwe onderzoeksmogelijkheden. Omdat bijvoorbeeld voor sommige vogelsoorten het geslacht moeilijk of niet uitwendig is te onderscheiden, is de genetische geslachtsbepaling cruciaal voor de kweekprogramma’s van allerlei vogelsoorten. Deze bepalingen gebeuren nu routinematig in de labo’s van de KMDA met behulp van DNA analyses. Maar DNA onderzoek is om nog een andere wijze belangrijk. Eén van de belangrijkste doestellingen binnen de kweekprogramma’s is om per diersoort zo veel mogelijk genetische diversiteit te behouden Alleen dan kan een diersoort op een verantwoorde manier gekweekt of behouden worden. Enkele diersoorten hebben om die reden een bevoorrechte positie en hun eigen DNA onderzoeksprojecten.

In het verleden werden op verschillende momenten nakomelingen van wilde hertzwijnen of babiroessa’s uit Indonesische dierentuinen naar Europese dierentuinen verscheept. Omdat we niet weten hoeveel wilde hertzwijnen aan de basis liggen van de kweek, willen we het aantal stamvaders en stammoeders achterhalen met behulp van DNA analyse. Zolang we niet weten hoe nauw de hertzwijnen die nu in dierentuinen leven aan elkaar verwant zijn kunnen we de verdere kweek dus moeilijk sturen. Ook voor het goudkopleeuwaapje bestuderen we de familiale banden tussen de dieren die vroeger vanuit Brazilië ingevoerd werden. Waarschijnlijk waren dat familiegroepjes, bestaande uit vader, moeder en de kinderen, wat tot gevolg heeft dat we mogelijk minder genetische variatie in de huidige dierentuinpopulatie hebben dan gedacht.

Het genetisch karakteriseren van de drie vermoedelijke ondersoorten van de soldatenara (en mogelijke hybriden) zal toelaten de kweek van deze ara’s ‘raszuiver’ te houden. Ten laatste willen we de genetische diversiteit van de kweekpopulatie van Kaapse zeepaardjes verifiëren en opvolgen. Daarvoor vergelijken we stalen van onze kweek met natuurlijke stalen. De eerste resultaten wijzen op een genetisch verarmde Antwerpse populatie.Ook de brilberen worden onder de loep worden genomen binnen een gezamenlijk project met de Universiteit Bolivië, de Universiteit Antwerpen en het 'Andean Bear specialist team' van de wereld conservatie organisatie IUCN. In de Zuidelijke Andes worden meststalen verzameld ism lokale onderzoekers om aldus meer te weten te komen over de verspreiding en populatiestructuur van deze soort.

Daarnaast kunnen we stellen dat het wetenschappelijk onderzoek door onze veeartsen bijdraagt aan de fysieke en mentale gezondheid van al onze dieren. Dit heeft uiteraard ook positieve gevolgen voor de realisatie van de doelstellingen van diverse kweekprogramma’s. Anderzijds proberen we met onze expertise ook een bijdrage te leveren aan het behoud van bedreigde diersoorten in hun natuurlijke leefomgeving. Daartoe is de KMDA momenteel actief in natuurbeschermingsprojecten in Vlaanderen (Natuurreservaat “De Zegge”), Kameroen en Brazilië, waar CRC-wetenschappers actief veldonderzoek doen en een directe invulling geven aan de natuurbehoudsmissie van de KMDA.

Zjef Pereboom

Zin en onzin van kweekprogramma’s





Conservatie, of natuurbehoud, omvat alle activiteiten die bijdragen tot het behouden van dieren, planten en de natuur in het algemeen. Dat kan enerzijds door bescherming van dieren en planten in hun natuurlijke leefomgeving en de zorg voor die leefomgeving zelf, anderzijds door bescherming van diersoorten op een andere plaats. Vooral voor dieren die in de natuur bedreigd worden of zijn uitgestorven, worden populaties in dierenparken in stand gehouden met behulp van kweekprogramma’s. Het merendeel van deze programma’s heeft als doel een zich zelf onderhoudende reservepopulatie op te bouwen voor het geval het met de natuurlijke populatie onverhoopt de verkeerde kant op gaat. Je zou het kunnen zien als soort moderne ‘Ark van Noë’. Een verdere doelstelling is om in tussentijd deze dieren te gebruiken als ambassadeurs voor hun soortgenoten in de natuur, voor natuurbeschermingseducatie, fondsenwerving voor conservatieprogramma’s in de natuur en voor wetenschappelijk onderzoek.

Niet enkel voor bedreigde diersoorten
Het is belangrijk duidelijk te stellen dat niet elke diersoort in een dierentuin deel uitmaakt van een kweekprogramma. Kweekprogramma’s zijn er ook niet alleen voor bedreigde diersoorten, en niet elke bedreigde soort wordt per definitie beheerd binnen een kweekprogramma. Ook andere soorten die van groot belang zijn voor dierentuinen, bijvoorbeeld omwille van hun educatieve waarde, en die zonder intensief beheer dreigen te verdwijnen uit de dierentuincollecties kunnen in een kweekprogramma beheerd worden Een andere belangrijke reden is om te voorkomen dat we dezelfde fouten maken als in “de goede oude tijd”, of in dit geval eerder “de slechte oude tijd”. Toen werden heel wat dieren rechtstreeks betrokken uit de natuur of aangekocht bij handelaren of andere dierentuinen. Onnodig te stellen dat deze dierenhandel vandaag de dag om verschillende redenen onaanvaardbaar is. Voor moderne dierentuinen is onderlinge uitwisseling van dieren uit de kweekprogramma’s ‘zonder winstoogmerk’ de norm.

Europese samenwerking en uitwisseling
Uiteraard kan een individuele dierentuin niet zelf een kweekprogramma beginnen. Dierentuinen die samenwerken door dieren te kweken en onderling uit te wisselen, moeten in zekere mate de afzonderlijke collecties op elkaar afstemmen. Indien elke dierentuin andere soorten houdt, is uitwisseling immers nog steeds niet mogelijk. Die afstemming gebeurt in wat men noemt een “regionaal collectieplan”. Dierentuinorganisaties zoals EAZA (European Association of Zoos and Aquaria) spelen hierbij een uiterst belangrijke rol. Die regionale dierentuinorganisaties kan je in zekere zin beschouwen als een soort kwaliteitslabel. Dierentuinen die lid zijn van deze organisaties moeten aan bepaalde kwaliteitsnormen voldoen en verbinden zich ertoe bepaalde gedragscodes na te leven, bijvoorbeeld in verband met samenwerking voor het beheer van de collectie en de kweekprogramma’s.

Beheer van de collecties: ESBs en EEPs
Als onderdeel van een regionaal collectieplan wordt voor elke soort bepaald op welk niveau de populatie van deze soort het best wordt beheerd. Voor de dierentuinen binnen EAZA zijn dat bijvoorbeeld het European Studbook, ofwel het Europese stamboek (ESB), en het European Endangered species Programme (EEP). Voor het ESB wordt een stamboekhouder (een werknemer uit één van de EAZA instituten) aangesteld om van de soort in kwestie alle bekende gegevens te verzamelen van alle dieren, zowel de levende als al hun voorouders. Aan de hand van deze informatie kan een familiestamboom van de soort worden opgesteld, en worden beslissingen genomen voor het beheer van de soort. Deze gegevens worden op regelmatige basis aangevuld en gepubliceerd in een stamboek (zoals men dat ook heeft voor raspaarden, rashonden enz). De KMDA beheert het ESB van de Mexicaanse soldatenara (Ara militaris mexicana) en de Fischer’s toerako (
Tauraco fischeri). We spreken van een internationaal stamboek waneer de stamboekhouder gegevens verzameld van alle dieren van één soort wereldwijd.In een EEP, wordt niet alleen een stamboekhouder maar ook een coördinator voor het kweekprogramma aangesteld. Voor de soort wordt dan niet alleen een stamboek bijgehouden, maar er worden ook op regelmatige basis aanbevelingen gedaan met betrekking tot welke individuen al dan niet mogen kweken en in welke combinaties, of naar welke dierentuinen dieren kunnen verhuizen. Vooral diersoorten die van bijzonder belang zijn en waarvoor het noodzakelijk is dat de populatie in een zo goed mogelijke conditie wordt gehouden, zoals bedreigde diersoorten, worden op dit niveau beheerd. De KMDA beheert het EEP van de Europese monniksgier (Aegypius monachus), en het EEP én het internationaal stamboek van de okapi (Okapia johnstoni), de bonobo (Pan paniscus), de Kongopauw (Afropavo congensis) en het goudkopleeuwaapje (Leontopithecus chrysomelas).

Herintroductie niet vanzelfsprekend
Een populair misverstand is dat elk kweekprogramma in het leven wordt geroepen om op relatief korte termijn de soort terug te kunnen uitzetten in de vrije natuur. Niets is minder waar. Het aantal diersoorten waarvoor een kweekprogramma wordt opgesteld met het specifieke doel om door herintroductie de aanwezigheid van die soort te proberen herstellen in een gebied waar ze is uitgestorven, is zelfs érg klein. Toch heeft de KMDA de eer het EEP te coördineren voor één van deze soorten. Vanuit Planckendeal beheren wij immers het kweekprogramma voor de Europese monniksgier. De jongen geboren binnen het EEP worden terug uitgezet in Frankrijk in samenwerking met de Black Vulture Conservation Foundation (BVCF) en La Ligue pour la Protection des Oiseaux (LPO). Voor het merendeel van de kweekprogramma’s is herintroductie echter geen doelstelling, onder meer omdat het zeer langdurige, complexe en kostbare projecten zijn met de nodige risico’s, en vaak weinig kans van slagen. Alleen met buitengewoon veel expertise, overleg, geestkracht en geduld heeft het zin een levensvatbare, vrij-levende populatie terug in de natuur tot stand te brengen.

Kristin Leus | Zjef Pereboom



De Zegge onder de loupe


De Universiteit Antwerpen en de KMDA hebben in het kader van een wetenschappelijk samenwerkingsproject enkele jaren geleden een uitgebreid meetnet opgezet in en rond De Zegge. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in hoe de bodemsamenstelling en het grond- en oppervlaktewater gerelateerd zijn aan de natuurwaarden in De Zegge.


De eerste voorlopige resultaten maken duidelijk dat het grondwater van groot van belang is voor de aanwezigheid van zeldzame plantensoorten. De meest bedreigde planten komen voornamelijk voor op die plaatsen waar het grondwaterpeil het hele jaar door hoog is. De resultaten maken vooral ook duidelijk dat er nog grote hiaten in onze kennis zijn. Om deze ten dele in te vullen is het meetnet begin dit jaar met enkele peilbuizen uitgebreid. Hierbij zijn twee diepe peilbuizen geplaatst zodat ook informatie wordt gekregen van het grondwater uit de diepere lagen. Verder is nu ook gestart met het onderzoek naar het oppervlaktewater dat langs en door De Zegge stroomt. Belangrijke factoren zoals kwaliteit van het water, de waterdiepte en de stroomsnelheid worden verscheidene malen per jaar gemeten.


Het verzamelen van deze gegevens is erg belangrijk voor het behoud van De Zegge. De resultaten tot nu toe tonen aan dat het grondwater dat in De Zegge aan de oppervlakte komt zeer arm is aan voedingsstoffen en dat is gunstig voor het voortbestaan van de zeldzame planten in het gebied. Het oppervlaktewater rond De Zegge blijkt echter grote hoeveelheden voedingsstoffen te bevatten, hetgeen weer negatieve gevolgen heeft voor de natuur. Deze nieuwe onderzoeken stellen ons dus in staat in de gaten te houden of het “vervuilde” oppervlaktewater het schone grondwater niet beïnvloedt of, erger nog, zelfs vervangt. Dit laatste is niet onrealistisch aangezien het lager gelegen landbouwgebied ten noorden van de Zegge het grondwater kan wegtrekken. Dit zou rampzalig zijn voor de aanwezige natuurwaarden in De Zegge. Het is dus een noodzaak om genomen kunnen worden en mogelijke negatieve invloeden op de bijzondere natuurwaarden tot een minimum kunnen beperken. Het verder uitgebreide meetnet kan ons daarbij uitstekend helpen.


Hans Backx | Steven Vansteenkiste

Monkey Quest in de ZOO

Vroeg begonnen, is half gewonnen, dacht Adinda Sannen, die enkele jaren geleden nog zelf haar doctoraat in de gedragsbiologie bij de bonobo’s in Planckendael afrondde. Inmiddels geeft zij les aan het Sint Gabriëlcollege in Mortsel, in de laatste jaren van de middelbare opleiding. Samen met haar collega Heidi Gerard, die ook gidst in Planckendael, spoorden ze hun leerlingen aan om een mini-project op poten te zetten rond het observeren van aapjes in de zoo, onder de naam “Monkey Quest”. We laten de leerlingen Evert Wouters, Sarah De Rademaeker en Annelies Jacobs zelf aan het woord over hun ervaringen:


“Apen in gevangenschap hebben een veilig en rustig leventje. Dat lijkt allemaal mooi en aardig, maar zo’n kleine omgeving kan snel voor verveling zorgen. Daar wilden wij iets aan doen. Het Project Zelfstandig Werk “Monkey Quest” gaf ons de mogelijkheid de dagelijkse sleur van de apen te doorbreken. Ons doel was gedragsverrijking te ontwerpen voor verschillende soorten aapjes (bv. het witoorpenseelaapje, de kuifbaviaan, de springtamarin, dwergzijdeaapje… ). Elk groepje koos een aapje en ging aan de slag. We leerden eerst meer over de soorten en over de observatie van het gedrag van dieren. Na eerst ervaring opgedaan te hebben door observatie van de kleuterklassen in ons college, zijn we naar de Zoo van Antwerpen getrokken. Daar aangekomen vergaapten we ons aan de speelse wijze waarop de beestjes elkaar de vlooien uit de vacht pulkten. We werden vriendelijk ontvangen door het “enrichment-team” van de Zoo, installeerden ons voor de kooi van onze aapjes, namen ons observatiepapier en grepen naar de balpen. Turven werd ons lust en leven.”
Er volgden nog 2 tripjes naar de Zoo en uiteindelijk mochten de leerlingen hun eigen gedragsverrijking ontwerpen. De voorstellen werden gekeurd door Zoo-medewerker Jeroen Stevens en vrijwilligster Ingrid De Decker, waarna uiteindelijk vier ontwerpen uitgewerkt werden in samenwerking met de enrichment vrijwilligers en de verzorgers. “Vol verwachtingen gingen we een laatste keer naar de Zoo. In de kooien van “onze” aapjes hingen de speeltjes en nu konden we eindelijk zien hoe ze erop reageerden. Voor enkelen van ons was de teleurstelling groot: sommige aapjes liet het koud, anderen stonden zelfs doodsangsten uit. Nochtans was het project verre van een fiasco. De kuifbavianen hebben veel plezier gehad aan hun speeltje, ook al was het meteen stuk, en ook bij de uilenkopmeerkatten en goudkopleeuwaapjes was het een succesverhaal.” Volgens de verzorgers was het zeer zeker ook een geslaagd project, aangezien de tijd om de speeltjes voor de apen te maken véél korter was dan de tijd die zij er zelf vaak aan besteden.

Jeroen Stevens